donderdag, september 17, 2026
12 C
Groningen

Arbeidsmarkt groeit niet meer door, terwijl werkloosheid licht oploopt

De Nederlandse arbeidsmarkt blijft sterk, maar de groei lijkt eruit. Het aantal mensen met betaald werk tot de AOW-leeftijd is voor het tweede jaar op rij vrijwel niet meer toegenomen. Tegelijk loopt de werkloosheid langzaam op. In augustus waren er 408 duizend werklozen, terwijl het werkloosheidspercentage gelijk bleef op 4,0 procent.

Dat klinkt niet als een grote omslag. En dat is het ook niet. Maar het beeld verandert wel. Jarenlang kwamen er bijna voortdurend meer werkenden bij. Bedrijven groeiden, vacatures stapelden zich op en personeelstekorten bepaalden het gesprek. Nu blijft het aantal werkenden rond hetzelfde niveau hangen, terwijl het aantal werklozen sinds begin 2023 geleidelijk stijgt.

De arbeidsmarkt is dus niet ineens ruim. Werkgevers zoeken nog steeds mensen en in veel sectoren blijft personeel schaars. Maar de vanzelfsprekende groei van de afgelopen jaren is wel tot stilstand gekomen.

Aantal werkenden blijft rond 9,6 miljoen hangen

In het tweede kwartaal van 2026 waren er 9,6 miljoen werkenden van 15 jaar tot de AOW-leeftijd. Dat aantal is de afgelopen twee jaar nauwelijks veranderd. In 2024 waren het er 9,619 miljoen, in 2025 9,629 miljoen en in 2026 9,616 miljoen.

Dat is opvallend, omdat het aantal werkenden in de jaren daarvoor bijna steeds toenam. Na de nasleep van de kredietcrisis lag het aantal werkenden in 2014 nog rond 8,2 miljoen. Tien jaar later was dat opgelopen tot ruim 9,6 miljoen.

Die groei werd geholpen door een aantrekkende economie, hogere arbeidsparticipatie, een oplopende AOW-leeftijd en meer mensen die actief werden op de arbeidsmarkt. Vooral ouderen bleven langer werken. Ook kwamen er veel mensen bij in sectoren waar de vraag naar personeel hoog bleef.

Maar die beweging vlakt nu af. Het aantal werkenden groeit niet meer door, terwijl het overige deel van de bevolking juist weer toeneemt.

Meer mensen buiten het werkende deel

Het CBS vergelijkt het aantal werkenden tot de AOW-leeftijd ook met de rest van de bevolking. Dat overige deel bestaat uit kinderen onder de 15 jaar, mensen vanaf de AOW-leeftijd en mensen tussen 15 jaar en de AOW-leeftijd die niet werken.

Die groep groeide in 2026 naar ruim 8,5 miljoen mensen. Dat komt vooral door meer AOW’ers en in mindere mate door meer niet-werkenden tot de AOW-leeftijd. Het aantal kinderen onder de 15 jaar neemt juist af.

Dat maakt de verhouding op de arbeidsmarkt belangrijker. Als het aantal werkenden niet groeit, maar het aantal mensen buiten die groep wel, komt er meer druk op de werkende bevolking. Zij dragen via werk, belasting en premies een groot deel van de economie en publieke voorzieningen.

Dat betekent niet dat er direct een probleem ontstaat. Maar het laat wel zien dat Nederland niet eindeloos kan blijven rekenen op meer werkenden als oplossing voor groei, zorg, onderwijs, defensie, woningbouw en andere grote opgaven.

Werkloosheid stijgt langzaam sinds 2023

Naast het stagnerende aantal werkenden loopt de werkloosheid langzaam op. In augustus 2026 waren 408 duizend mensen werkloos. In april 2023 waren dat er nog 343 duizend.

Die stijging ging niet in één rechte lijn, maar de trend is zichtbaar. De afgelopen drie maanden nam het aantal werklozen gemiddeld met 3 duizend per maand toe. Het aantal mensen met betaald werk daalde in diezelfde periode gemiddeld met 1 duizend per maand.

Het werkloosheidspercentage bleef in augustus gelijk op 4,0 procent. Dat is historisch gezien nog altijd laag. De arbeidsmarkt is dus niet zwak. Maar de richting is wel anders dan in de jaren waarin werkloosheid daalde en werkgevers steeds harder om personeel vochten.

Voor werkzoekenden kan dat betekenen dat het iets langer duurt om passend werk te vinden. Voor werkgevers betekent het nog niet dat personeel ineens makkelijk beschikbaar is.

WW-uitkeringen nemen iets toe

Ook UWV zag in augustus een stijging. Eind augustus waren er 194,8 duizend lopende WW-uitkeringen. Dat is 1,4 procent meer dan eind juli. Er kwamen 24,2 duizend nieuwe uitkeringen bij, terwijl 23,6 duizend uitkeringen werden beëindigd.

CBS en UWV meten niet precies hetzelfde. Het CBS kijkt naar mensen zonder betaald werk die recent naar werk hebben gezocht en direct beschikbaar zijn. UWV telt het aantal WW-uitkeringen. Niet iedere werkloze heeft recht op WW en niet iedereen met een WW-uitkering valt precies binnen de CBS-definitie.

Toch wijzen beide cijfers in dezelfde richting. De arbeidsmarkt blijft overeind, maar er komt iets meer beweging aan de onderkant. Meer mensen verliezen werk of vinden niet meteen een baan wanneer zij zich aanbieden op de arbeidsmarkt.

Instroom in werkloosheid groter dan uitstroom

De stijging van de werkloosheid komt doordat er meer mensen werkloos werden dan er uit de werkloosheid verdwenen. In augustus waren er 250 duizend mensen werkloos die dat drie maanden eerder nog niet waren.

Van die groep verloren 129 duizend mensen hun baan. Daarnaast gingen 121 duizend mensen op zoek naar werk terwijl zij eerder niet actief waren op de arbeidsmarkt. Als zij niet meteen werk vinden, tellen zij mee als werkloos.

Daartegenover stonden 241 duizend mensen die drie maanden eerder werkloos waren en dat in augustus niet meer waren. Van hen vonden 142 duizend mensen een baan. Nog eens 99 duizend mensen stopten met zoeken of waren niet meer direct beschikbaar en verlieten daarmee de beroepsbevolking.

Het verschil tussen instroom en uitstroom is niet groot, maar wel genoeg om het aantal werklozen langzaam te laten oplopen.

Groei onder oudere werkenden vlakt af

Een belangrijke verklaring voor het stilvallen van de groei zit bij oudere werkenden. Het aantal werkenden van 55 jaar tot de AOW-leeftijd nam jarenlang sterk toe. Dat had onder meer te maken met de verhoging van de AOW-leeftijd. Mensen werkten langer door en vooral het aantal werkende 65- en 66-jarigen groeide sinds 2013 sterk.

Die stijging gaat nog wel door, maar minder snel. Zowel het aantal mensen in deze leeftijdsgroep als hun arbeidsparticipatie groeit minder hard dan eerder.

Ook bij 25- tot 45-jarigen is er nog een lichte toename, maar ook die vlakt af. Bij 45- tot 55-jarigen daalt het aantal werkenden al negen jaar. Eerst kwam dat vooral doordat deze leeftijdsgroep kleiner werd. De laatste drie jaar speelt ook mee dat het percentage werkenden in deze groep afneemt.

Dat laat zien dat de arbeidsmarkt niet alleen wordt bepaald door vacatures en economie, maar ook door demografie. Leeftijdsopbouw, pensioen, gezondheid en participatie bepalen hoeveel mensen beschikbaar zijn voor werk.

Meer AOW’ers werken, maar dat vangt niet alles op

Opvallend is dat een groeiend deel van de AOW’ers betaald werk heeft. In het tweede kwartaal van 2026 werkte 9,5 procent van de mensen vanaf de AOW-leeftijd. In 2014 was dat nog 7,2 procent.

Dat helpt iets, maar lost het bredere probleem niet op. AOW’ers werken vaak minder uren en niet iedereen kan of wil na de pensioenleeftijd blijven werken. Voor sommige mensen is doorwerken een keuze, voor anderen een financiële noodzaak. Weer anderen stoppen omdat het werk fysiek te zwaar is of omdat gezondheid niet meewerkt.

De stijging laat wel zien dat de grens tussen werk en pensioen minder hard wordt. Meer mensen blijven op een of andere manier actief. Maar het is geen volledige vervanging voor groei van het aantal werkenden onder de AOW-leeftijd.

Mannen werken gemiddeld iets minder uren

Niet alleen het aantal werkenden telt, ook het aantal gewerkte uren. Daar ziet het CBS eveneens een lichte verschuiving. Werkenden maken gemiddeld iets minder uren per week.

Dat speelt vooral bij mannen van 25 jaar tot de AOW-leeftijd. Zij werkten vier jaar geleden gemiddeld 39,4 uur per week. In het tweede kwartaal van 2026 was dat 38,6 uur. Bij vrouwen in dezelfde leeftijdsgroep is juist sprake van een lichte stijging, van 29,8 naar 30,2 uur per week.

Die veranderingen lijken klein, maar op miljoenen werkenden tellen ze op. Als het aantal mensen met werk gelijk blijft en de gemiddelde arbeidsduur iets daalt, groeit het totale arbeidsvolume minder hard.

Dat is belangrijk voor sectoren met personeelstekorten. Een extra werknemer is niet hetzelfde als extra voltijdcapaciteit. Meer deeltijdwerk, kortere werkweken of minder overuren kunnen de krapte in roosters en productie toch zichtbaar houden.

Minder voltijdbanen tegenover groeiende restgroep

Het CBS rekent het totale aantal gewerkte uren ook om naar voltijdbanen, de zogenoemde vte’s. In het tweede kwartaal van 2026 waren er 90 voltijdequivalenten per 100 mensen in het overige deel van de bevolking. In het tweede kwartaal van 2024 waren dat er nog 92.

Ook dat cijfer laat zien dat de verhouding iets verschuift. Er wordt niet alleen relatief minder extra gewerkt, maar het werkende deel groeit ook niet mee met de rest van de bevolking.

Voor de lange termijn is dat relevant. Nederland heeft veel plannen die mensen nodig hebben: zorgpersoneel, leraren, technici, bouwvakkers, installateurs, ict’ers, defensiepersoneel en logistiek personeel. Als het aantal beschikbare werkenden niet verder groeit, wordt productiviteit belangrijker.

Met andere woorden: Nederland moet meer werk gedaan krijgen met ongeveer dezelfde groep mensen.

Krapte blijft, maar verandert van karakter

De arbeidsmarkt blijft krap. Dat is belangrijk om te benadrukken. Een werkloosheid van 4,0 procent betekent niet dat werkgevers ineens kunnen kiezen uit grote aantallen geschikte kandidaten. In veel sectoren blijven vacatures moeilijk vervulbaar.

Wat wel verandert, is het karakter van de krapte. De groei van het aantal werkenden vlakt af. De werkloosheid loopt langzaam op. En de gemiddelde arbeidsduur daalt iets. Daardoor ontstaat een arbeidsmarkt die aan de ene kant nog steeds personeel tekortkomt, maar aan de andere kant minder makkelijk groeit.

Dat kan voor werkgevers frustrerend zijn. Er zijn iets meer werklozen, maar niet automatisch de mensen met de juiste opleiding, ervaring, beschikbaarheid of locatie. Een zorginstelling heeft weinig aan werkzoekenden zonder zorgopleiding. Een technisch bedrijf kan niet zomaar elke werkzoekende inzetten op specialistisch werk.

De mismatch tussen vraag en aanbod blijft daardoor belangrijk.

Voor bedrijven wordt productiviteit belangrijker

Als er niet steeds meer mensen bijkomen op de arbeidsmarkt, moeten bedrijven anders naar groei kijken. Meer omzet of productie kan dan niet alleen komen uit meer personeel. Automatisering, digitalisering, betere planning en slimmer organiseren worden belangrijker.

Dat geldt voor grote bedrijven, maar ook voor het mkb. Een aannemer met te weinig vakmensen moet werk strakker plannen. Een zorgorganisatie moet roosters anders organiseren. Een kantoor moet administratieve processen versnellen. Een logistiek bedrijf kijkt naar software, routes en voorraad.

Technologie kan daarbij helpen, maar lost niet alles op. Veel werk blijft mensenwerk. Zeker in zorg, onderwijs, bouw, horeca en dienstverlening is persoonlijke inzet moeilijk volledig te vervangen.

Toch wordt productiviteit steeds bepalender. Niet omdat bedrijven minder mensen willen, maar omdat er simpelweg minder ruimte is om groei alleen uit extra personeel te halen.

Werkloosheid blijft geen simpel overschot

De lichte stijging van de werkloosheid kan de indruk wekken dat er meer arbeidsaanbod beschikbaar komt. Dat klopt deels, maar het is geen simpel overschot aan personeel.

Een deel van de werklozen komt uit sectoren waar de vraag afneemt. Een ander deel zoekt werk na een periode buiten de arbeidsmarkt. Niet iedereen kan direct aan de slag in sectoren met tekorten. Soms is scholing nodig. Soms spelen gezondheid, reistijd, taal, leeftijd, zorgtaken of contractvormen mee.

Daarom blijft begeleiding naar werk belangrijk. Als de werkloosheid langzaam stijgt terwijl tekorten blijven bestaan, is de vraag vooral hoe mensen naar passend werk kunnen worden geholpen.

Dat vraagt om meer dan vacatures openzetten. Omscholing, praktijkleren, begeleiding, flexibele roosters en betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt worden belangrijker.

Jongeren en ouderen blijven anders bewegen

De arbeidsmarkt verandert per leeftijdsgroep verschillend. Jongeren werken vaak naast studie of in tijdelijke banen. Zij bewegen sneller in en uit werk. Oudere werknemers blijven vaker langer actief, maar de groei in die groep vlakt af. Mensen boven de AOW-leeftijd werken vaker dan vroeger, maar meestal niet in hetzelfde patroon als jongere werknemers.

Dat maakt algemene arbeidsmarktcijfers soms lastig te lezen. Eén totaalpercentage verhult grote verschillen tussen leeftijdsgroepen.

Voor beleid en werkgevers is juist die verdieping belangrijk. Wie personeel zoekt, moet weten waar nog groei zit. Wie mensen aan het werk wil helpen, moet weten welke drempels per groep spelen. Een jonge werkzoekende heeft andere ondersteuning nodig dan iemand van 58 die na jaren werkloos wordt of iemand die na pensioen nog een paar dagen wil doorwerken.

Geen omslag, wel een waarschuwingssignaal

De nieuwste CBS-cijfers wijzen niet op een plotselinge verslechtering. Er zijn nog steeds veel mensen aan het werk. De werkloosheid blijft met 4,0 procent laag. Het aantal WW-uitkeringen ligt ruim onder de niveaus uit de coronaperiode.

Maar de cijfers laten wel zien dat de rek uit de groei van de arbeidsmarkt raakt. Het aantal werkenden tot de AOW-leeftijd neemt niet meer toe. De rest van de bevolking groeit. De werkloosheid loopt sinds begin 2023 langzaam op. En het aantal gewerkte uren groeit niet vanzelf mee.

Dat is vooral een signaal voor de langere termijn. Nederland kan niet blijven rekenen op steeds meer werkenden om alle maatschappelijke en economische opgaven te dragen.

Arbeidsmarkt zoekt nieuw evenwicht

De arbeidsmarkt lijkt langzaam naar een nieuw evenwicht te bewegen. Niet meer de oververhitte groei van de jaren na corona, maar ook geen duidelijke terugval. Werkgevers blijven mensen zoeken, terwijl werkzoekenden iets minder vanzelfsprekend snel werk vinden.

Voor huishoudens is werkzekerheid belangrijk, zeker nu vaste lasten hoog blijven. Voor bedrijven is personeelsbeschikbaarheid een van de grootste voorwaarden om te kunnen groeien. Voor de overheid is het aantal werkenden van belang voor belastinginkomsten, premies en de betaalbaarheid van voorzieningen.

Daarom zijn deze cijfers meer dan een maandelijkse arbeidsmarktupdate. Ze laten zien dat de Nederlandse economie tegen de grenzen van arbeid aanloopt. Niet omdat er niemand meer wil werken, maar omdat demografie, uren, vaardigheden en krapte steeds sterker gaan bepalen hoeveel groei nog mogelijk is.

Voorlopig blijft de arbeidsmarkt sterk. Maar de makkelijke groei van het aantal werkenden lijkt voorbij. De komende jaren zal Nederland het daarom meer moeten hebben van slimmer werken, betere aansluiting tussen mensen en banen en het benutten van arbeid die nu nog aan de kant staat.

Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek en UWV.

Recente publicaties

Aankloten in de Zeegser Duinen: een middag vol plezier en goede gesprekken

Wat een gezellige middag in de Zeegser Duinen! 🌿We...

Miljoenennota 2027: koopkracht onder druk, miljarden naar wonen en veiligheid

Nederland staat er economisch nog redelijk voor, maar de...

FNV zet hoog in met looneis van 5,5 procent en prijscompensatie

Vakbond FNV zet stevig in voor de nieuwe cao-ronde....

Energierekening stijgt door dure verbouwing van het stroomnet

De energierekening van huishoudens gaat volgend jaar opnieuw omhoog,...

Faillissementen stijgen in augustus, maar trend blijft gemengd

Het aantal faillissementen in Nederland is in augustus opnieuw...

Gerelateerde artikelen