De Nederlandse arbeidsmarkt oogt op papier nog altijd krap, maar onder dat beeld schuift intussen iets anders naar voren. In het eerste kwartaal van 2026 wilden 574 duizend werkenden meer uren maken én waren zij daar ook beschikbaar voor. Daarmee gaat het om 40 duizend meer zogeheten onderbenutte deeltijders dan een jaar eerder. Gemiddeld wilden zij 8,5 uur per week extra werken, tegen 8,3 uur in dezelfde periode van 2025. Volgens het CBS is het aantal onderbenutte deeltijders daarmee voor het eerst weer hoger dan bij het begin van de coronacrisis.
Dat maakt deze cijfers interessant, juist omdat het arbeidsmarktdebat meestal draait om personeelstekorten, openstaande vacatures en krapte bij werkgevers. Het CBS laat nu een andere kant van diezelfde arbeidsmarkt zien: een groeiende groep mensen die al werkt, maar graag méér uren zou maken. Het gaat dus niet om mensen zonder baan, maar om werkenden die meer uit hun arbeidspositie willen halen dan nu mogelijk is. Daarmee groeit de onderbenutting op een moment dat de arbeidsmarkt nog steeds vaak als gespannen wordt omschreven.
Onderbenutte deeltijders nemen weer toe
Met 574 duizend onderbenutte deeltijders ligt het niveau in het eerste kwartaal van 2026 boven dat van het eerste kwartaal van 2020, toen het CBS 562 duizend telde. In de jaren daarna schommelde het aantal, maar het bleef lange tijd lager dan in de eerste coronamaanden. Nu is dat omslagpunt dus gepasseerd. Ook in de kwartalen van 2025 lag het aantal al relatief hoog, met 534 duizend in het eerste kwartaal, 544 duizend in het tweede kwartaal, 522 duizend in het derde kwartaal en 534 duizend in het vierde kwartaal. De stap naar 574 duizend in het eerste kwartaal van 2026 is daarmee geen los incident, maar past in een lijn van oplopende onderbenutting.
Die stijging is relevant omdat onderbenutting iets anders laat zien dan werkloosheid alleen. Iemand kan immers officieel werk hebben en toch te weinig uren draaien om aan de eigen wens of behoefte te voldoen. Juist daarom wordt deze groep vaak minder zichtbaar in het publieke debat. Toch zegt zij veel over hoe soepel de arbeidsmarkt in de praktijk functioneert. Als meer mensen aangeven meer te willen werken, maar dat niet doen, zit daar kennelijk frictie tussen vraag, aanbod en contractvormen.
Vooral hoogopgeleide deeltijders zonder opleiding willen meer uren maken
Het CBS ziet de opvallendste stijging bij werkenden die geen onderwijs volgen en een hbo- of wo-diploma hebben. In die groep wilden in het eerste kwartaal van 2026 145 duizend deeltijders meer werken. Een jaar eerder waren dat er 120 duizend. Bij mensen die geen onderwijs volgen met basisonderwijs, vmbo of mbo-1 daalde het aantal licht van 48 duizend naar 46 duizend. Ook bij havo, vwo en mbo 2-4 liep het iets terug, van 113 duizend naar 108 duizend. De groei zit dus vooral aan de bovenkant van de opleidingsladder.
Dat is een opvallende verschuiving. Juist hoger opgeleiden worden vaak geassocieerd met een sterke arbeidsmarktpositie en veel kansen op doorstroom. Toch laat het CBS nu zien dat ook in die groep een groeiend aantal mensen meer uren wil maken dan nu gebeurt. Dat kan verschillende oorzaken hebben, van parttime contracten en persoonlijke keuzes tot beperkte mogelijkheden om binnen de huidige baan op te schalen. Het nieuwsbericht zelf trekt daar geen verdere conclusies over, maar het patroon is duidelijk genoeg om op te vallen.
Ook studenten en scholieren vormen een grote groep onderbenutte deeltijders
Van de 574 duizend onderbenutte deeltijders volgden er 273 duizend onderwijs. Het gaat daarbij om mensen met een bijbaan die meer uren willen werken, of om werkenden die aan het eind van hun opleiding op zoek zijn naar een grotere baan. Binnen die groep nam vooral het aantal hbo- en wo-opgeleiden toe: van 35 duizend in 2025 naar 45 duizend in 2026. Ook bij havo, vwo en mbo 2-4 steeg het aantal, van 93 duizend naar 107 duizend. Alleen bij de groep met basisonderwijs, vmbo of mbo-1 was er een lichte daling van 123 duizend naar 121 duizend.
Daarmee blijkt de stijging van onderbenutting niet alleen samen te hangen met mensen die al volledig op de arbeidsmarkt actief zijn. Ook onder jongeren en studenten groeit de wens om meer te werken. Dat kan te maken hebben met hogere kosten van levensonderhoud, een grotere behoefte aan inkomen naast studie, of een bredere zoektocht naar werkervaring. Wat de reden ook is, de cijfers laten zien dat de roep om meer uren op meerdere plekken in de arbeidsmarkt klinkt.
Werkloosheid loopt tegelijk ook op
De nieuwe CBS-cijfers blijven niet beperkt tot onderbenutte deeltijders. Ook de werkloosheid is toegenomen. In het eerste kwartaal van 2026 telde Nederland 428 duizend werklozen, tegen 407 duizend een jaar eerder. Die stijging komt bijna volledig voor rekening van mensen die geen onderwijs volgen. In die groep liep het aantal werklozen op van 253 duizend naar 272 duizend. Volgens het CBS is de toename zichtbaar bij alle onderwijsniveaus.
Ook daar valt op dat hoger opgeleiden niet buiten beeld blijven. Bij mensen die geen onderwijs volgen liep het aantal werklozen met een hbo- of wo-achtergrond op van 109 duizend naar 114 duizend. Bij havo, vwo en mbo 2-4 steeg het van 86 duizend naar 92 duizend. En bij basisonderwijs, vmbo en mbo-1 nam het toe van 55 duizend naar 63 duizend. Onder mensen die wel onderwijs volgen waren de verschuivingen kleiner, maar ook daar steeg het aantal werklozen met een basisonderwijs-, vmbo- of mbo-1-niveau van 72 duizend naar 78 duizend.
Totale onderbenutting neemt verder toe
Niet alleen het aantal mensen dat méér wil werken groeit, ook het aantal uren dat onbenut blijft loopt op. Werklozen wilden in het eerste kwartaal van 2026 gemiddeld 26,1 uur per week werken, tegen 25,5 uur een jaar eerder. Doordat zowel meer werklozen als meer onderbenutte deeltijders beschikbaar zijn voor extra arbeid, neemt de totale onderbenutting verder toe. Het CBS rekent dit om naar voltijdequivalenten en komt dan uit op 401 duizend vte’s in het eerste kwartaal van 2026, tegen 370 duizend een jaar eerder.
Dat cijfer maakt de ontwikkeling concreter. Het gaat niet alleen om meer personen in statistische zin, maar ook om een duidelijk grotere hoeveelheid onbenut arbeidspotentieel. Terwijl werkgevers in veel sectoren blijven wijzen op tekorten, groeit tegelijk de groep mensen die graag meer wil werken dan nu gebeurt. Die twee werkelijkheden bestaan dus naast elkaar. Precies daarin zit de spanning van de huidige arbeidsmarkt: krapte aan de ene kant, onderbenutting aan de andere.
Arbeidsmarkt blijft krap, maar niet zonder scheuren
De nieuwste CBS-cijfers laten zien dat de Nederlandse arbeidsmarkt in 2026 minder eenduidig is dan de term krapte soms suggereert. Ja, veel werkgevers zoeken personeel. Maar tegelijk neemt het aantal deeltijders dat meer uren wil maken weer toe, stijgt de werkloosheid onder mensen die geen onderwijs volgen en groeit het totale onbenutte arbeidspotentieel. Vooral de toename onder hbo’ers en universitair geschoolden springt daarbij in het oog.
Daarmee geven de cijfers een nuttige correctie op het simpele beeld van een arbeidsmarkt waarin iedereen die wil werken vanzelf voldoende uren kan maken. Voor een groeiende groep geldt dat juist niet. Het eerste kwartaal van 2026 laat daarom niet alleen zien hoe groot de vraag naar arbeid is, maar ook hoeveel arbeidsuren er aan de aanbodkant nog onbenut blijven. En juist dat maakt deze ontwikkeling breder dan een gewone kwartaalstatistiek.
Bron: CBS.