De inflatie in Nederland is in mei gestegen naar 3,5 procent. Daarmee lag het prijsniveau voor consumenten duidelijk hoger dan in april, toen de inflatie nog 2,8 procent bedroeg. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De uitkomst is gelijk aan de snelle raming die begin juni al werd gepubliceerd.
Voor consumenten betekent het dat goederen en diensten in mei gemiddeld 3,5 procent duurder waren dan een jaar eerder. Ten opzichte van april stegen de prijzen met 0,1 procent. De maandelijkse stijging lijkt daarmee beperkt, maar de vergelijking met mei vorig jaar pakt duidelijk hoger uit. Dat komt vooral door prijsontwikkelingen rond vervoer, vakanties en verblijf.
De inflatie wordt berekend aan de hand van de consumentenprijsindex. Die index volgt de prijzen van een breed pakket aan producten en diensten, van boodschappen en energie tot vervoer, horeca, kleding en recreatie. Niet iedere prijs stijgt dus even hard. In mei waren vooral een paar categorieën bepalend voor de hogere inflatie.
Vliegtickets duidelijk duurder dan vorig jaar
Een belangrijke oorzaak van de hogere inflatie was de prijsontwikkeling van internationale vluchten. Vliegtickets waren in mei 12,3 procent duurder dan in mei vorig jaar. Dat is een opvallend verschil met april. Toen waren vliegtickets juist 11,6 procent goedkoper dan een jaar eerder.
Dat soort schommelingen komt vaker voor bij vliegtickets. De prijzen hangen sterk samen met vakanties, feestdagen en momenten waarop veel mensen willen reizen. In mei 2026 vielen er meer vrije dagen dan in mei 2025. Zo viel Pinksteren dit jaar in mei, terwijl dat vorig jaar in juni was. Daardoor was de vraag naar reizen in mei relatief hoog en dat werkte door in de prijzen.
Ook accommodaties hadden een opwaarts effect op de inflatie. Vooral verblijf in bungalowparken werd duurder. Rond vrije dagen en vakantieperiodes liggen prijzen voor toeristische diensten vaak hoger, simpelweg omdat meer mensen tegelijk vrij zijn en eropuit gaan. Dat maakt de inflatie in zo’n maand gevoeliger voor kalenderinvloeden.
Vervoer leverde grootste bijdrage
Van alle hoofdgroepen leverde vervoer in mei de grootste bijdrage aan de inflatie. Volgens het CBS droeg deze categorie 1,13 procentpunt bij aan de totale inflatie van 3,5 procent. In april was dat nog 0,80 procentpunt.
Daarmee wordt duidelijk hoe sterk vervoer het totale cijfer kan beïnvloeden. Het gaat daarbij niet alleen om vliegtickets, maar ook om andere vervoerskosten. Wanneer juist deze categorie stijgt, is dat snel zichtbaar in het algemene inflatiecijfer.
Ook huisvesting, water en energie bleven belangrijk. Deze categorie droeg in mei 0,84 procentpunt bij aan de inflatie. Dat was iets meer dan in april, toen de bijdrage 0,79 procentpunt bedroeg. Daarmee blijft wonen en energie een stevige factor in de prijsontwikkeling, ook al lag de nadruk in mei vooral op reizen en verblijf.
Horeca en accommodaties drukken cijfer verder omhoog
Restaurants en accommodatiediensten hadden eveneens een grotere invloed dan een maand eerder. De bijdrage van deze categorie steeg van 0,28 procentpunt in april naar 0,46 procentpunt in mei. Dat past bij het beeld van een maand waarin vrije dagen en korte vakanties sterker doorwerken in de prijzen.
Voor huishoudens voelt inflatie daardoor niet altijd hetzelfde. Wie in mei een vlucht boekte, een vakantiepark bezocht of vaker buiten de deur at, kon de prijsstijging sterker merken dan iemand die dat niet deed. Het algemene inflatiecijfer is een gemiddelde, maar de persoonlijke ervaring hangt af van het eigen uitgavenpatroon.
Ook recreatie, sport en cultuur droegen meer bij aan de inflatie dan in april. De bijdrage steeg van 0,13 naar 0,23 procentpunt. Daarnaast nam de bijdrage van consumptie in het buitenland toe van 0,18 naar 0,30 procentpunt. Ook dat wijst op een maand waarin toerisme en vrijetijdsbesteding relatief veel invloed hadden.
Prijzen stegen beperkt ten opzichte van april
Hoewel de inflatie op jaarbasis duidelijk opliep, waren consumentenprijzen in mei slechts 0,1 procent hoger dan in april. Dat verschil laat zien dat inflatiecijfers altijd op twee manieren bekeken moeten worden. De inflatie van 3,5 procent zegt iets over het verschil met dezelfde maand een jaar eerder. De maandmutatie laat juist zien wat er gebeurde ten opzichte van de maand ervoor.
Volgens het CBS was de gemiddelde maandmutatie in mei in de afgelopen tien jaar min 0,1 procent. Dit jaar was er dus sprake van een kleine stijging. Tegelijk moet bij zulke maandvergelijkingen rekening worden gehouden met seizoenseffecten. Sommige prijzen dalen tijdelijk door uitverkoop of acties, terwijl andere prijzen juist stijgen rond vakantieperiodes.
Daarom geeft één maandcijfer niet direct een volledig beeld van de onderliggende prijsdruk. De stijging in mei is duidelijk, maar wordt deels verklaard door specifieke posten die gevoelig zijn voor het seizoen en de kalender.
Nederlandse inflatie hoger dan in de eurozone
Ook volgens de Europees geharmoniseerde meetmethode lag de inflatie in Nederland in mei hoger dan een maand eerder. Op basis van de HICP waren goederen en diensten in Nederland 3,4 procent duurder dan een jaar eerder. In april was dat nog 2,5 procent.
De inflatie in de eurozone steeg ook, maar minder sterk. Daar liep het cijfer op van 3,0 procent in april naar 3,2 procent in mei. Daarmee lag de Nederlandse inflatie volgens de geharmoniseerde methode iets boven het gemiddelde van de eurozone.
Het CBS publiceert beide cijfers omdat de nationale consumentenprijsindex en de Europees geharmoniseerde index niet precies hetzelfde pakket en dezelfde methode gebruiken. De CPI is vooral relevant voor de Nederlandse prijsontwikkeling. De HICP wordt gebruikt om landen binnen Europa beter met elkaar te kunnen vergelijken.
Inflatie blijft grillig
De inflatie is de afgelopen jaren sterk geschommeld. Na de uitzonderlijk hoge prijsstijgingen in 2022 daalde het inflatiecijfer later weer, maar de ontwikkeling blijft onrustig. In januari en februari 2026 lag de inflatie nog op 2,4 procent. In maart liep die op naar 2,7 procent, in april naar 2,8 procent en in mei dus naar 3,5 procent.
Dat betekent niet automatisch dat alle prijzen opnieuw hard stijgen. Een deel van de beweging komt door vergelijking met vorig jaar en door specifieke prijsontwikkelingen. Toch laat de stijging zien dat prijsdruk voor consumenten nog niet verdwenen is.
Voor huishoudens blijft vooral van belang welke uitgaven zwaar wegen in het eigen budget. Wonen, energie, vervoer en voeding hebben voor veel mensen meer invloed dan incidentele uitgaven aan reizen of recreatie. Als juist vaste lasten stijgen, wordt inflatie sneller gevoeld in de portemonnee.
Effect op koopkracht blijft belangrijk
Een inflatie van 3,5 procent betekent dat het leven gemiddeld duurder is geworden dan een jaar eerder. Of huishoudens dat kunnen opvangen, hangt af van de ontwikkeling van lonen, uitkeringen, pensioeninkomen en vaste lasten. Wanneer inkomens even hard of harder stijgen dan prijzen, blijft de koopkracht beter op peil. Als prijzen sneller oplopen dan inkomens, komt er druk op het besteedbaar inkomen.
Voor bedrijven speelt inflatie ook een rol. Hogere prijzen kunnen wijzen op hogere kosten voor personeel, energie, transport of inkoop. Tegelijk zijn consumenten niet altijd bereid of in staat om prijsverhogingen te blijven betalen. Ondernemers moeten daardoor afwegen hoeveel kosten zij kunnen doorberekenen.
De inflatiecijfers blijven daarom belangrijk voor beleid, loononderhandelingen, renteverwachtingen en het consumentenvertrouwen. Een maand met hogere inflatie hoeft nog geen trendbreuk te betekenen, maar laat wel zien dat prijsstabiliteit kwetsbaar blijft.
Conclusie
De inflatie in Nederland liep in mei op naar 3,5 procent. Vooral duurdere vliegtickets, verblijf in bungalowparken en andere toeristische uitgaven drukten het cijfer omhoog. Ook vervoer, wonen en energie bleven belangrijke onderdelen van de prijsontwikkeling.
De stijging ten opzichte van april was beperkt, maar in vergelijking met mei vorig jaar is het verschil duidelijk. Daarbij speelde de kalender een zichtbare rol, omdat mei 2026 meer vrije dagen telde dan mei 2025. De Nederlandse inflatie lag volgens de Europees geharmoniseerde methode bovendien iets boven het gemiddelde van de eurozone.
Voor consumenten blijft het beeld gemengd. Niet iedereen merkt dezelfde prijsstijgingen even sterk, maar het algemene niveau van goederen en diensten ligt opnieuw hoger. Daarmee blijft inflatie een belangrijk thema voor huishoudens, bedrijven en beleidsmakers.
Bron: CBS.
