De inflatie in Nederland is in juni uitgekomen op 2,9 procent. Een maand eerder lag dat cijfer nog op 3,5 procent. De daling hangt vooral samen met lagere olieprijzen, waardoor de druk op brandstof en energie minder groot werd.
Het gaat om een snelle raming van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Die wordt gemaakt op basis van nog niet alle beschikbare prijsgegevens. De definitieve cijfers over juni volgen op 7 juli.
Voor consumenten betekent de daling niet dat het dagelijks leven ineens goedkoper is geworden. De prijzen liggen nog altijd hoger dan een jaar geleden. Wel stegen ze minder hard dan in mei, toen brandstofprijzen door de onrust op de oliemarkt sterk opliepen.
Energie blijft duurder, maar stijgt minder hard
In mei speelde energie een grote rol bij de stijgende inflatie. De olieprijs liep toen wereldwijd op door de oorlog in het Midden-Oosten en de problemen rond de Straat van Hormuz. Die route is belangrijk voor de internationale oliehandel. Toen er minder schepen doorheen konden varen, ontstond onzekerheid over de aanvoer en liep de prijs van olie snel op.
Inmiddels is die druk iets afgenomen. Er varen weer meer schepen door de zeestraat en de olieprijs zakte terug richting het niveau van voor de oorlog. Dat werkt vrij snel door in de prijs van benzine en diesel.
Volgens de snelle CBS-raming waren energie en motorbrandstoffen in juni 6 procent duurder dan een jaar eerder. In mei was dat nog 9,7 procent. De prijsstijging is dus niet verdwenen, maar wel duidelijk minder groot geworden.
Dat verschil is belangrijk voor het totale inflatiecijfer. Brandstofprijzen werken niet alleen door voor automobilisten. Hogere olieprijzen raken ook transportbedrijven, bezorgdiensten, producenten en andere ondernemingen die afhankelijk zijn van vervoer. Als die kosten oplopen, worden ze vaak deels doorberekend in de prijzen van producten en diensten.
Consumentenprijzen daalden ten opzichte van mei
Vergeleken met mei daalden de consumentenprijzen in juni met 0,6 procent. Dat is een maandcijfer en moet anders worden gelezen dan de inflatie op jaarbasis.
De inflatie van 2,9 procent vergelijkt juni 2026 met juni 2025. De daling van 0,6 procent laat zien wat er gebeurde tussen mei en juni van dit jaar. Daarbij spelen seizoenseffecten mee. In juni beginnen bijvoorbeeld regelmatig uitverkopen, waardoor kleding tijdelijk goedkoper wordt. Zo’n prijsdaling betekent niet automatisch dat er sprake is van een bredere of blijvende daling van het prijsniveau.
Toch is de beweging wel opvallend. In de afgelopen tien jaar daalden prijzen in juni gemiddeld met 0,1 procent ten opzichte van mei. De daling van 0,6 procent is dus sterker dan gebruikelijk voor deze maand.
Diensten blijven relatief hard in prijs stijgen
Niet alle onderdelen van de inflatie bewegen mee met olie en brandstof. Vooral diensten blijven relatief duurder worden. In juni lagen de prijzen van diensten 4,1 procent hoger dan een jaar eerder. Dat is minder dan in mei, toen de stijging 4,7 procent bedroeg, maar nog steeds duidelijk boven de totale inflatie.
Onder diensten vallen onder meer horeca, verzekeringen, reizen, reparaties, persoonlijke verzorging, abonnementen en verschillende zakelijke en consumentendiensten. Deze prijzen bewegen vaak minder snel dan brandstofprijzen, omdat ze voor een groot deel samenhangen met loonkosten, huur, inkoop en personeelskrapte.
Ook consumptie in het buitenland bleef duurder. Die categorie, waar onder meer uitgaven tijdens vakanties onder vallen, was in juni 5,7 procent duurder dan een jaar eerder. Daarmee blijft reizen voor veel huishoudens een uitgavenpost die merkbaar duurder kan zijn dan het gemiddelde inflatiecijfer suggereert.
Voedselprijzen stabiliseren tijdelijk
De prijzen van voedingsmiddelen, dranken en tabak lagen in juni gemiddeld op hetzelfde niveau als een jaar eerder. In mei was die categorie nog 0,4 procent duurder dan twaalf maanden eerder.
Dat betekent niet dat boodschappen breed goedkoper zijn geworden. Het betekent vooral dat het gemiddelde prijsniveau in juni ongeveer gelijk lag aan juni vorig jaar. Binnen de supermarkt kunnen de verschillen groot zijn. Sommige producten worden goedkoper, terwijl andere juist duurder worden door oogsten, transportkosten, aanbiedingen of veranderende inkoopprijzen.
Voor veel huishoudens blijft boodschappen doen daarom een belangrijke graadmeter voor hoe duur het leven voelt. Zeker omdat voeding een terugkerende uitgave is die moeilijk uit te stellen valt.
Lagere olieprijs geeft lucht, maar maakt de situatie niet stabiel
De daling van de inflatie in juni laat zien hoe gevoelig prijsontwikkelingen zijn voor de energiemarkt. Een lagere olieprijs zorgt snel voor minder druk bij brandstoffen. Tegelijk blijft de situatie kwetsbaar.
De rust rond de Straat van Hormuz is nog niet vanzelfsprekend. Zolang het conflict in het Midden-Oosten onzeker blijft, kunnen olieprijzen opnieuw oplopen. Dat hoeft niet meteen te leiden tot dezelfde piek als in mei, maar de internationale energiemarkt reageert snel op berichten over productie, transport en veiligheid.
Voor consumenten is dat vooral merkbaar aan de pomp. Voor bedrijven kan de invloed breder zijn. Transport, productie en logistiek worden duurder wanneer brandstofprijzen stijgen. Vooral bedrijven met kleine marges of veel vervoersbewegingen voelen dat snel.
Een lagere olieprijs helpt dus, maar lost niet alle oorzaken van inflatie op. Diensten, huren, lonen en andere vaste kosten blijven een rol spelen.
Nederlandse inflatie lager volgens Europese meetmethode
Het CBS publiceert naast de Nederlandse consumentenprijsindex ook een Europees geharmoniseerde inflatiemaatstaf. Volgens die methode kwam de inflatie in Nederland in juni uit op 2,5 procent. In mei was dat nog 3,4 procent.
Het verschil ontstaat doordat de twee meetmethoden niet precies hetzelfde zijn opgebouwd. De Europese HICP rekent bijvoorbeeld anders met de kosten van wonen in een eigen huis dan de Nederlandse CPI.
Voor consumenten is vooral de Nederlandse CPI herkenbaar, omdat die aansluit bij de prijsontwikkeling van een breed pakket aan goederen en diensten in Nederland. De HICP wordt vooral gebruikt om de inflatie tussen Europese landen te vergelijken.
Inflatie blijft voelbaar in het dagelijks leven
Een lager inflatiecijfer betekent niet dat prijzen teruggaan naar het niveau van een paar jaar geleden. Inflatie zegt hoeveel prijzen gemiddeld stijgen ten opzichte van een jaar eerder. Wanneer de inflatie daalt van 3,5 naar 2,9 procent, worden producten en diensten nog steeds duurder, maar minder snel dan de maand daarvoor.
Dat verschil is belangrijk. Veel huishoudens merken vooral dat vaste lasten, boodschappen, vervoer en diensten duur blijven. Ook als de prijsstijging afremt, blijft het hogere prijsniveau bestaan.
Voor mensen met weinig financiële ruimte kan dat verschil klein voelen. Wie al moeite heeft om rond te komen, merkt niet direct verlichting door een lager inflatiecijfer. Pas wanneer inkomens harder stijgen dan de uitgaven, of wanneer bepaalde kosten daadwerkelijk dalen, ontstaat er meer ruimte in het maandbudget.
Definitieve cijfers volgen volgende week
De cijfers over juni zijn voorlopig. Het CBS baseert de snelle raming op onvolledige brongegevens. Op 7 juli worden de definitieve inflatiecijfers gepubliceerd. Dan wordt ook duidelijker welke producten en diensten de grootste invloed hadden op de daling.
Voorlopig is de belangrijkste beweging helder: de scherpe prijsdruk van mei is in juni afgezwakt. Lagere olieprijzen speelden daarbij een grote rol. Tegelijk blijft energie op jaarbasis duurder, stijgen diensten nog stevig in prijs en is de rust op de internationale energiemarkt nog niet zeker.
Bronnen: NOS en Centraal Bureau voor de Statistiek.
