dinsdag, juni 16, 2026
11.5 C
Groningen

Starters in private huur betalen grootste deel inkomen aan wonen

Starters in een private huurwoning zijn van alle groepen het grootste deel van hun inkomen kwijt aan wonen. In 2024 ging in deze groep in doorsnee 35,1 procent van het besteedbaar inkomen naar woonlasten. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

De cijfers maken opnieuw duidelijk hoe groot het verschil is tussen huurders en huiseigenaren. Huishoudens met een eigen woning waren in 2024 in doorsnee 16,3 procent van hun inkomen kwijt aan wonen. Bij huurders van een woningcorporatie ging het om 24,6 procent en bij huurders van een private huurwoning om 30,0 procent.

Daarmee ligt de woonquote voor private huurders bijna twee keer zo hoog als die van woningeigenaren. De woonquote geeft aan welk deel van het besteedbaar inkomen wordt besteed aan totale woonlasten. Het gaat dus niet alleen om huur of hypotheek, maar om het bredere pakket aan lasten rond wonen.

Private huur drukt zwaar op inkomen

Vooral de private huurmarkt springt eruit. Huurders die minder dan vijf jaar in een private huurwoning wonen, hadden in 2024 een woonquote van 31,0 procent. Dat is hoger dan bij corporatiehuurders met een korte woonduur en duidelijk hoger dan bij recente kopers.

Wie al langer in een private huurwoning woont, is iets minder kwijt, maar het verschil is beperkt. Bij private huurders met een woonduur van twintig jaar of langer lag de woonquote nog steeds op 28,1 procent. Daarmee blijft de private huursector voor veel huishoudens zwaar drukken op het inkomen.

Bij woningeigenaren is dat anders. Daar ligt de woonquote lager en daalt die vaak sneller naarmate mensen langer in hun woning wonen. Eigenaren met een woonduur van twintig jaar of langer waren in 2024 in doorsnee 15,2 procent van hun inkomen kwijt aan woonlasten. Bij eigenaren die korter dan vijf jaar in hun woning wonen, was dat 17,5 procent.

Het verschil heeft onder meer te maken met de manier waarop lasten zich ontwikkelen. Huren stijgen vaak jaarlijks. Huiseigenaren hebben vaker vaste of dalende hypotheeklasten, terwijl hun inkomen in de loop van de tijd kan toenemen. Daardoor wordt wonen voor eigenaren relatief minder zwaar naarmate zij langer in dezelfde woning blijven.

Hoogste woonquote bij nieuwe private huurders

Als alleen wordt gekeken naar huishoudens die korter dan een jaar in hun woning wonen, worden de verschillen nog scherper. Nieuwe private huurders waren in 2024 in doorsnee 33,5 procent van hun inkomen kwijt aan wonen. Bij nieuwe corporatiehuurders was dat 26,5 procent en bij nieuwe eigenaren 23,4 procent.

Dat laat zien dat de eerste stap op de woningmarkt vooral in de private huur duur is. Wie net een private huurwoning betrekt, krijgt vaak te maken met actuele huurprijzen. Die liggen doorgaans hoger dan huren van huishoudens die al langer in dezelfde woning wonen.

Bij eigenaren is het beeld anders. Ook zij hebben in het eerste jaar relatief hoge woonlasten, maar daarna daalt de woonquote sneller. Nieuwe kopers hebben vaak te maken met hogere hypotheeklasten, bijkomende kosten en een nog relatief lager inkomen. Na enkele jaren kan dat beeld verbeteren, bijvoorbeeld door inkomensgroei of stabiele maandlasten.

Bij huurders blijft die daling veel beperkter. Een private huurder die één tot twee jaar in de woning woont, had in 2024 een woonquote van 31,0 procent. Bij twee tot drie jaar was dat 29,7 procent en bij vier tot vijf jaar 29,0 procent. De druk neemt dus iets af, maar blijft hoog.

Starters extra kwetsbaar

Het CBS maakt ook onderscheid tussen starters en doorstromers. Starters zijn huishoudens waarvan alle leden nieuw zijn op de woningmarkt. Doorstromers verhuizen vanuit een andere woning. In 2024 ging het bij huishoudens die minder dan een jaar geleden waren verhuisd om ongeveer 125 duizend startershuishoudens en ongeveer 350 duizend huishoudens met alleen doorstromers.

Starters hebben over het algemeen een hogere woonquote dan doorstromers. Dat is goed te verklaren. Zij hebben vaak minder opgebouwd, minder spaargeld, een lager inkomen of minder toegang tot een koopwoning. Tegelijk komen zij terecht in een markt waarin huren en koopprijzen al langere tijd hoog zijn.

In de private huur is die kwetsbaarheid het duidelijkst. Starters in een private huurwoning waren 35,1 procent van hun inkomen kwijt aan wonen. Doorstromers in de private huur kwamen uit op 33,5 procent. Ook dat is hoog, maar starters worden het zwaarst geraakt.

Bij eigenaren is het verschil tussen starters en doorstromers eveneens zichtbaar. Startende kopers hadden een woonquote van 26,3 procent, tegenover 22,9 procent voor doorstromers. Bij corporatiehuurders is het verschil juist klein: starters kwamen uit op 27,0 procent en doorstromers op 26,8 procent.

Koopwoning blijft relatief gunstiger voor wie toegang krijgt

De cijfers laten zien dat een eigen woning gemiddeld een lagere woonquote oplevert dan huren. Dat betekent niet dat kopen voor iedereen makkelijk of goedkoop is. De toegang tot de koopmarkt is voor starters juist lastig door hoge huizenprijzen, strengere leennormen, spaareisen en beperkte beschikbaarheid van woningen.

Wie eenmaal een woning koopt, is gemiddeld wel een kleiner deel van het inkomen kwijt aan wonen dan huurders. Vooral op langere termijn kan het verschil oplopen. Eigenaren bouwen vermogen op, terwijl huurders blijven betalen zonder eigendom op te bouwen.

Daarmee raakt het CBS-beeld aan een breder probleem op de woningmarkt. Huishoudens die kunnen kopen, hebben vaak lagere woonlasten ten opzichte van hun inkomen. Huishoudens die zijn aangewezen op huur, en vooral op private huur, betalen juist een groter deel van hun inkomen aan wonen. Voor starters zonder koopmogelijkheid kan dat de financiële ruimte sterk beperken.

Grote steden niet altijd duurder voor starters met koopwoning

Opvallend is dat starters met een eigen woning in de vier grootste steden ongeveer dezelfde woonquote hebben als starters buiten die steden. In Amsterdam lag de woonquote voor startende eigenaren in 2024 op 26,0 procent. In Rotterdam en Den Haag was dat 27,6 procent, in Utrecht 25,9 procent en in de rest van Nederland 26,2 procent.

Dat lijkt op het eerste gezicht verrassend, omdat woningen in grote steden vaak duurder zijn. Mogelijk speelt mee dat starters in steden vaker kleinere woningen kopen, of dat alleen starters met voldoende inkomen toegang krijgen tot de koopmarkt. De groep die daadwerkelijk koopt, is daardoor niet hetzelfde als de groep die graag zou willen kopen.

Bij doorstromers met een eigen woning is het verschil tussen grote steden en de rest van Nederland groter. In de vier grote steden lag hun woonquote tussen 24,8 en 25,4 procent. In de rest van het land was dat 22,6 procent. Ook de mediane woonlasten lagen voor deze groep in de grote steden hoger, tussen ongeveer 1.300 en 1.500 euro per maand, tegenover ongeveer 1.200 euro in de rest van Nederland.

Woonlasten iets lager dan in 2023

Het CBS meldt dat huishoudens in 2024 gemiddeld een iets kleiner deel van hun inkomen kwijt waren aan woonlasten dan in 2023. Dat geldt voor alle groepen. De daling betekent echter niet dat wonen breed betaalbaar is geworden. Vooral in de private huur blijft het aandeel van het inkomen dat naar wonen gaat hoog.

Een lagere woonquote kan verschillende oorzaken hebben. Inkomens kunnen zijn gestegen, terwijl woonlasten minder hard opliepen. Ook samenstellingseffecten kunnen meespelen. Toch verandert dat weinig aan het onderliggende verschil tussen huurders en eigenaren.

Voor huishoudens met een laag of middeninkomen kan een woonquote van 30 procent of meer veel betekenen. Er blijft minder ruimte over voor boodschappen, energie, vervoer, zorg, sparen of onverwachte uitgaven. Vooral starters die nog weinig financiële buffer hebben, voelen dat snel.

Druk op private huur past in breder woningprobleem

De hoge woonquote in de private huur staat niet los van de bredere woningmarkt. De vraag naar huurwoningen is groot, terwijl het aanbod onder druk staat. Tegelijk is de koopmarkt voor veel starters moeilijk bereikbaar. Daardoor blijven mensen langer aangewezen op huur, ook wanneer zij liever zouden kopen.

Vooral de middenhuur is kwetsbaar. Huishoudens die te veel verdienen voor sociale huur, maar te weinig om makkelijk te kopen, komen vaak terecht in de private huursector. Juist daar zijn de woonlasten relatief hoog. Dat maakt het lastiger om te sparen voor een koopwoning en vergroot de kans dat huishoudens langer blijven huren.

De cijfers laten daarmee zien dat woonlasten niet alleen een probleem zijn van maandelijkse uitgaven, maar ook van doorstroming. Wie veel inkomen kwijt is aan huur, kan minder makkelijk vermogen opbouwen. Daardoor wordt de volgende stap op de woningmarkt lastiger.

Conclusie

Starters in een private huurwoning hebben de hoogste woonquote van alle groepen. In 2024 ging in deze groep in doorsnee 35,1 procent van het besteedbaar inkomen naar woonlasten. Ook private huurders in het algemeen zijn met 30,0 procent duidelijk meer kwijt dan corporatiehuurders en huiseigenaren.

De cijfers onderstrepen het verschil tussen huren en kopen. Huiseigenaren zijn gemiddeld een kleiner deel van hun inkomen kwijt aan wonen, zeker wanneer zij al langer in dezelfde woning wonen. Huurders, en vooral private huurders, blijven vaker te maken houden met hoge woonlasten.

Hoewel de woonquote in 2024 iets lager lag dan in 2023, blijft de druk op starters en private huurders groot. Voor veel huishoudens is de woningmarkt daardoor niet alleen krap, maar ook financieel zwaar. Wie geen toegang heeft tot een koopwoning of sociale huur, betaalt in de private huur vaak de hoogste prijs.

Bron: CBS.

Recente publicaties

DNB stelt groeiverwachting Nederlandse economie naar beneden bij

De Nederlandse economie groeit dit jaar minder hard dan...

ECB verhoogt rente voor het eerst in bijna drie jaar

De Europese Centrale Bank heeft de rente in de...

Productie industrie stijgt in april bijna 5 procent

De Nederlandse industrie heeft in april duidelijk meer geproduceerd...

Inflatie loopt in mei op naar 3,5 procent

De inflatie in Nederland is in mei gestegen naar...

Mensen met beperking ervaren nog altijd achterstand in samenleving

Tien jaar nadat Nederland het VN-verdrag handicap bekrachtigde, is...

Gerelateerde artikelen