De Nederlandse industrie profiteert momenteel van een opvallende toename van de vraag. Bedrijven bestellen meer producten, onderdelen en materialen uit voorzorg, omdat zij vrezen voor tekorten, vertragingen en verdere prijsstijgingen. Daardoor draaien Nederlandse producenten harder en stijgt het aantal nieuwe orders in een tempo dat al jaren niet meer is gezien. Toch is de opleving minder vanzelfsprekend positief dan zij op het eerste gezicht lijkt.
Uit de nieuwste Nevi Inkoopmanagersindex voor de Nederlandse industrie blijkt dat de bedrijvigheid in mei opnieuw stevig is toegenomen. De hoofdindex steeg van 54,4 in april naar 55,9 in mei. Daarmee staat de graadmeter op het hoogste niveau in bijna vier jaar. Een score boven de 50 wijst op groei ten opzichte van de maand ervoor. De cijfers laten dus zien dat de industrie op korte termijn duidelijk aan kracht wint.
De oorzaak ligt echter niet alleen in een gezonde, structurele vraag naar Nederlandse producten. Een belangrijk deel van de groei komt voort uit zogenoemd hamstergedrag. Bedrijven halen bestellingen naar voren, leggen extra voorraden aan en proberen zich te beschermen tegen mogelijke verstoringen in de internationale toeleveringsketens. Dat geeft de industrie nu extra werk, maar kan later ook tot nieuwe schommelingen leiden.
Orders naar voren gehaald door onzekerheid
De directe aanleiding voor de extra vraag ligt bij de onrust in het Midden-Oosten en de gevolgen daarvan voor internationale handelsroutes, grondstoffen en leveringen. Wanneer bedrijven verwachten dat materialen duurder of moeilijker verkrijgbaar worden, ontstaat de neiging om eerder en meer in te kopen. Dat effect is nu duidelijk zichtbaar in de Nederlandse industrie.
Vooral de vraag naar halffabricaten nam toe. Dat zijn producten die nog verder worden verwerkt in andere goederen, zoals onderdelen, chemische producten, kunststoffen, metalen en componenten. Zulke materialen zijn gevoelig voor verstoringen in wereldwijde ketens. Als één schakel vertraagt, kunnen complete productieprocessen elders vastlopen.
Sectoreconoom Albert Jan Swart van ABN AMRO vat het effect in het Nevi-rapport als volgt samen: “Het hamstergedrag als gevolg van de oorlog in Iran jaagt de groei van de Nederlandse industrie naar het hoogste tempo in bijna vier jaar tijd”. Daarmee wordt duidelijk dat de groei niet los kan worden gezien van geopolitieke onzekerheid.
Productie groeit sterk mee
Omdat de orders toenemen, verhogen producenten hun productie. Volgens de Nevi-cijfers groeide de productieomvang in mei in het hoogste tempo in ruim vier jaar. Dat is opvallend, omdat de Nederlandse industrie de afgelopen jaren juist te maken had met stagnatie, hoge energieprijzen, zwakke vraag en onzekerheid over internationale handel.
Ook CBS-cijfers lieten eerder dit jaar een wisselend beeld zien. In februari lag de industriële productie nog lager dan een jaar eerder, terwijl in maart weer sprake was van groei. Het CBS benadrukt daarbij dat de productie van maand tot maand sterk kan schommelen. Sinds 2024 is het productieniveau gemiddeld genomen vrij stabiel gebleven, na een periode waarin de industrie eerder terrein verloor.
De Nevi-cijfers over mei wijzen dus op een duidelijke versnelling, maar vooral op korte termijn. Ze meten het sentiment en de ontwikkeling onder inkoopmanagers in de productiesector. Dat maakt de index waardevol als vroege graadmeter, maar het blijft een ander type cijfer dan de feitelijke productievolumes die later door het CBS worden gepubliceerd.
Voorraadopbouw als motor achter de groei
De groei wordt vooral gedreven door voorraadopbouw. Bedrijven kopen extra materialen in om tekorten voor te zijn. Dat gebeurt wanneer zij verwachten dat leveringen later duurder of onzekerder worden. Voor producenten betekent dit dat de orderboeken plotseling voller raken. Voor de bredere economie is het beeld ingewikkelder.
Voorraadopbouw kan namelijk tijdelijk zorgen voor extra bedrijvigheid, maar het hoeft niet te betekenen dat de uiteindelijke vraag van consumenten of eindklanten blijvend sterker is. Als bedrijven nu veel extra inkopen, kunnen zij later juist minder bestellen omdat hun magazijnen vol liggen. Daardoor kan de productie op een later moment weer terugvallen.
Dit verschijnsel staat bekend als het bullwhip-effect, ook wel zweepslageffect genoemd. Een relatief kleine verandering in de vraag aan het einde van de keten kan leiden tot veel grotere bewegingen eerder in de keten. Producenten en leveranciers reageren op signalen van schaarste, bouwen voorraden op en vergroten hun inkoop. Als de werkelijke vraag later tegenvalt, ontstaan juist overschotten.
Nederlandse industrie profiteert van sterke positie in ketens
Nederland is sterk verweven met internationale productieketens. De industrie levert niet alleen eindproducten, maar ook veel onderdelen, machines, chemische producten, kunststoffen, voedingsmiddelen en technische componenten. Daardoor kan Nederland profiteren wanneer bedrijven elders in de keten sneller willen bestellen of meer zekerheid zoeken.
Vooral de maakindustrie, chemie en toeleveranciers van hightechbedrijven kunnen voordeel hebben van extra vraag naar onderdelen en halffabricaten. Ook de vraag naar chipmachines en onderdelen speelt op de achtergrond mee. Door de wereldwijde investeringen in kunstmatige intelligentie, datacenters en halfgeleiders blijft er veel vraag naar hoogwaardige technologie. Nederlandse bedrijven, met ASML als bekendste voorbeeld, maken deel uit van die keten.
Tegelijkertijd maakt die internationale verwevenheid de industrie kwetsbaar. Wanneer aanvoerroutes worden verstoord, energieprijzen oplopen of grondstoffen duurder worden, voelen Nederlandse bedrijven dat snel. De huidige groei is dus deels het gevolg van dezelfde onzekerheid die ook risico’s veroorzaakt.
Kosten lopen verder op
De positieve orderontwikkeling gaat samen met hogere kosten. In het Nevi-rapport wordt gesproken over een verdere stijging van de inkoopprijsinflatie. Vooral brandstof, oliegerelateerde materialen, chemische producten, kunststoffen en metalen worden duurder. Dat raakt bedrijven direct, omdat veel industriële productie afhankelijk is van energie, transport en grondstoffen.
Bedrijven proberen een deel van die hogere kosten door te berekenen aan klanten. Ook de verkoopprijzen stijgen daardoor. Toch lukt het niet altijd om alle kosten volledig door te geven. Wanneer de inkoopkosten sneller stijgen dan de verkoopprijzen, komen marges onder druk te staan. Dat kan vooral problematisch zijn voor bedrijven met lange contracten, beperkte onderhandelingsruimte of klanten die prijsverhogingen niet accepteren.
Daar komt bij dat extra voorraden geld kosten. Ondernemingen moeten materialen inkopen voordat zij hun eindproducten hebben verkocht. Dat vergroot de behoefte aan werkkapitaal. Zeker in sectoren waar grondstoffen duurder worden, kan dat druk zetten op liquiditeit. Een bedrijf kan dan voldoende orders hebben, maar alsnog financieel krap komen te zitten doordat voorraden en kosten vooruitlopen op inkomsten.
Levertijden blijven onder druk
De voorraadopbouw is bedoeld om leveringsproblemen te voorkomen, maar draagt tegelijk bij aan extra druk op leveranciers. Als veel bedrijven tegelijk meer gaan inkopen, kunnen levertijden juist verder oplopen. Dat is ook zichtbaar in de Nevi-cijfers. De prestaties van leveranciers verslechterden in mei opnieuw, mede door de grotere vraag naar materialen en de bestaande verstoringen in internationale ketens.
Voor producenten ontstaat daardoor een lastig evenwicht. Wie te weinig voorraad heeft, loopt risico op stilvallende productie. Wie te veel voorraad inslaat, loopt later het risico op overschotten, waardedaling of onnodig vastgezet kapitaal. Vooral bedrijven die werken met prijsschommelige grondstoffen of snel veranderende vraag moeten voorzichtig blijven.
De huidige situatie dwingt bedrijven dus tot scherpere keuzes in inkoop, planning en voorraadbeheer. Niet alleen de prijs telt, maar ook leveringszekerheid, flexibiliteit en de mogelijkheid om snel op veranderende vraag te reageren.
Werkgelegenheid beweegt voorzichtig mee
In mei breidden bedrijven hun personeelsbestanden weer iets uit. Dat is opvallend, omdat er in de twee maanden daarvoor juist sprake was van daling. De groei van de productie en het aantal nieuwe orders vraagt om extra capaciteit. Toch blijft de arbeidsmarkt voor de industrie een knelpunt.
Veel technische bedrijven hebben moeite om geschikt personeel te vinden. Denk aan operators, monteurs, engineers, productiemedewerkers en specialisten in onderhoud en automatisering. Als de vraag plotseling toeneemt, kan het lastig zijn om snel op te schalen. Dat verklaart ook waarom de hoeveelheid nog niet uitgevoerd werk in mei weer toenam. Bedrijven kregen meer binnen dan zij direct konden verwerken.
Personeelstekorten kunnen daardoor een rem zetten op het herstel. Zelfs als orders binnenkomen, is groei niet onbeperkt mogelijk wanneer machines, materialen of mensen ontbreken. Voor de industrie blijft arbeidsproductiviteit daarom een belangrijk thema, net als automatisering, opleiding en efficiëntere productieprocessen.
Groei is niet in alle sectoren gelijk
De Nederlandse industrie bestaat uit veel verschillende bedrijfstakken. De ene sector profiteert sterker van de huidige omstandigheden dan de andere. Producenten van halffabricaten, chemische producten, kunststoffen, metalen en technische onderdelen kunnen voordeel hebben van voorraadopbouw bij klanten. Bedrijven die afhankelijk zijn van dure energie of schaarse grondstoffen kunnen juist extra druk ervaren.
Ook de machine-industrie speelt een bijzondere rol. CBS-cijfers lieten eerder dit jaar al zien dat de machine-industrie relatief sterk presteerde. Dat past bij de internationale vraag naar hoogwaardige technologie en industriële apparatuur. Tegelijkertijd zijn andere branches, zoals chemie en elektrische en elektronische apparaten, gevoeliger voor schommelingen in energieprijzen, grondstoffen en wereldwijde vraag.
Het herstel van de industrie is dus geen breed en gelijkmatig herstel. Sommige bedrijven profiteren direct van de voorraadgolf, terwijl andere vooral de hogere kosten voelen. Dat maakt het belangrijk om de headline-cijfers niet te eenvoudig te interpreteren.
Geopolitiek bepaalt steeds vaker de orderboeken
De opleving van de industrie laat zien hoe sterk geopolitiek doorwerkt in de economie. Oorlog, handelsbeperkingen, invoerheffingen en verstoringen op zee kunnen direct leiden tot ander gedrag bij bedrijven. Inkopers reageren sneller, bestellen eerder en proberen risico’s af te dekken.
Die ontwikkeling past in een bredere trend. Bedrijven kijken minder uitsluitend naar lage kosten en meer naar leveringszekerheid. De coronapandemie, energiecrisis, oorlog in Oekraïne, spanningen rond China en recente onrust in het Midden-Oosten hebben duidelijk gemaakt dat internationale ketens kwetsbaar zijn. Daardoor wordt voorraadbeheer opnieuw belangrijker, terwijl jarenlang juist werd gestuurd op zo laag mogelijke voorraden.
Voor Nederlandse producenten kan dat kansen bieden. Als klanten dichter bij huis willen inkopen of extra zekerheid zoeken bij Europese leveranciers, kan de Nederlandse industrie daarvan profiteren. Maar die kans gaat gepaard met hogere kosten en meer onzekerheid.
Optimisme, maar geen zekerheid
Opvallend is dat het ondernemersvertrouwen in mei verbeterde. Producenten zijn positiever over de verwachte productie in de komende twaalf maanden dan eerder. Dat wijst erop dat bedrijven niet alleen rekenen op een kortstondige opleving, maar ook enige verwachting hebben dat de groei kan doorzetten.
Toch blijft voorzichtigheid nodig. De huidige groei wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door tijdelijke factoren. Als de verstoringen afnemen, de prijzen stabiliseren of bedrijven voldoende voorraden hebben opgebouwd, kan de extra vraag weer terugvallen. Dan moet blijken hoeveel onderliggende vraag er echt overblijft.
Ook de bredere Europese economie speelt mee. Nederland is sterk afhankelijk van export en van de industriële ontwikkeling in landen als Duitsland. Als de vraag daar tegenvalt, kan dat Nederlandse toeleveranciers alsnog raken. Vooral de machinebouw, chemie en technische industrie zijn gevoelig voor internationale investeringscycli.
Risico op latere terugslag
De grootste onzekerheid is wat er gebeurt zodra het hamstereffect afneemt. Als bedrijven nu vooral extra bestellen om risico’s af te dekken, kan dat later leiden tot een periode met minder orders. Magazijnen zijn dan gevuld, terwijl de eindvraag mogelijk niet even hard is meegegroeid. Dat kan een terugslag veroorzaken in productie, inkoop en omzet.
Voor bedrijven is dat risico niet nieuw, maar in de huidige omstandigheden extra relevant. Hoge prijzen maken voorraadopbouw duurder. Lange levertijden vergroten de kans dat materialen pas binnenkomen op een moment dat de vraag alweer is afgekoeld. En wanneer grondstofprijzen later dalen, kunnen bedrijven blijven zitten met duur ingekochte voorraad.
Daarom is de huidige groei zowel een kans als een waarschuwing. De industrie laat zien dat zij snel kan reageren op extra vraag, maar de oorzaak van die vraag ligt deels in onzekerheid. Een gezonde industriële groei is uiteindelijk sterker wanneer zij wordt gedragen door structurele investeringen, innovatie, exportvraag en productiviteitsgroei, niet alleen door paniekaankopen.
Bronnen: NOS, Nevi, S&P Global, ABN AMRO en CBS.