Het aantal flexwerknemers in Nederland groeit weer. In het eerste kwartaal van 2026 hadden 2,7 miljoen mensen een flexibele arbeidsrelatie. Dat zijn er 63.000 meer dan in dezelfde periode vorig jaar. Daarmee is het voor het derde kwartaal op rij drukker geworden in flexwerk.
Tegelijkertijd neemt het aantal zelfstandigen verder af. Bijna 1,5 miljoen mensen werkten in het eerste kwartaal als zelfstandige, 88.000 minder dan een jaar eerder. Vooral het aantal zzp’ers daalde. De ontwikkeling is al vijf kwartalen zichtbaar.
De arbeidsmarkt schuift daarmee opnieuw. Er komen nog steeds banen bij, maar de groei zit minder vanzelfsprekend in zelfstandig ondernemerschap. Ook vaste banen nemen toe, al gaat dat rustiger dan in eerdere kwartalen.
Vooral meer oproep- en invalkrachten
De groei van flexwerk zit vooral bij oproep- en invalkrachten. In het eerste kwartaal waren dat er ruim 1 miljoen. Een jaar eerder ging het nog om 956.000 mensen.
Daarnaast groeide het aantal werknemers met een tijdelijk contract zonder uitzicht op een vaste baan. Het aantal uitzendkrachten liep juist terug. Ook waren er minder tijdelijke werknemers met uitzicht op een vast dienstverband dan een jaar eerder.
Dat verschil zegt iets over het soort flexibiliteit dat toeneemt. Werkgevers zetten vaker mensen in op wisselende uren of tijdelijke basis, terwijl minder werknemers direct zicht hebben op een vaste plek binnen een organisatie.
Flexwerk is niet alleen voor studenten
Oproepwerk wordt vaak gekoppeld aan scholieren en studenten. Jongeren vormen nog steeds de grootste groep. Van alle oproep- en invalkrachten waren er 730.000 jonger dan 25 jaar.
Maar ook onder oudere werknemers nam het aantal toe. In de leeftijdsgroep van 25 tot 45 jaar werkten 130.000 mensen als oproep- of invalkracht. Onder 45- tot 75-jarigen ging het om 145.000 werknemers.
Ruim een kwart van de oproepkrachten is daarmee 25 jaar of ouder. Voor een deel van hen kan flexibel werk goed passen, bijvoorbeeld naast studie, mantelzorg, een andere baan of pensioen. Voor anderen betekent het vooral dat inkomen en uren minder voorspelbaar zijn.
Dat verschil is belangrijk. Flexibiliteit kan prettig zijn wanneer iemand daar zelf voor kiest. Maar wie afhankelijk is van wisselende oproepen, weet minder goed waar hij of zij maandelijks aan toe is.
Vaste banen groeien nog wel
Ook het aantal werknemers met een vaste arbeidsrelatie steeg. In het eerste kwartaal waren dat er 60.000 meer dan een jaar eerder. De groei is alleen kleiner dan in eerdere kwartalen.
In totaal hadden ruim 9,8 miljoen mensen betaald werk. Dat waren er 35.000 meer dan een jaar eerder. De arbeidsmarkt groeit dus nog steeds, maar minder hard dan een paar jaar geleden.
Die afvlakking is al langer zichtbaar. In de afgelopen twee jaar nam het aantal werkenden steeds minder snel toe. In mei daalde het aantal mensen met betaald werk zelfs. Dat betekent niet direct dat de arbeidsmarkt omslaat, maar wel dat de sterke groei van banen minder vanzelfsprekend is geworden.
Minder zelfstandigen, vooral minder zzp’ers
De daling van het aantal zelfstandigen valt op omdat zelfstandig werken jarenlang juist groeide. Vooral in sectoren als bouw, zorg, transport, creatieve dienstverlening en zakelijke diensten werd veel gewerkt met zzp’ers.
Het CBS maakt niet duidelijk waarom individuele zelfstandigen stoppen of overstappen. Wel is zichtbaar dat de afname vooral zit bij zelfstandigen zonder personeel. Mogelijk speelt mee dat opdrachtgevers kritischer kijken naar de manier waarop zij werk organiseren. Ook onzekerheid over opdrachten, tarieven en regels kan invloed hebben op de keuze om zelfstandig te blijven werken.
Voor sommige mensen kan een baan in loondienst aantrekkelijker zijn geworden door meer zekerheid over inkomen, uren en sociale bescherming. Tegelijk blijft zelfstandig werken voor veel anderen juist aantrekkelijk vanwege vrijheid en eigen regie.
Nieuwe regels voor oproepwerk in zicht
De groei van oproepwerk komt op een moment dat de regels rond flexibele contracten mogelijk veranderen. Vanaf 2028 zouden nulurencontracten voor de meeste oproepkrachten kunnen verdwijnen.
In plaats daarvan zouden werknemers een bandbreedtecontract krijgen. Daarbij worden vooraf een minimum- en maximumaantal uren afgesproken. Alleen jongeren, studenten en AOW-gerechtigden zouden dan nog met een nulurencontract kunnen werken.
De bedoeling is dat werknemers meer duidelijkheid krijgen over hun inkomen en beschikbaarheid. Voor werkgevers blijft er ruimte om mee te bewegen met drukte, ziekte of seizoenswerk, maar de onzekerheid voor werknemers moet kleiner worden.
Of de plannen precies in deze vorm doorgaan, hangt nog af van de verdere invoering. De CBS-cijfers laten in ieder geval zien dat de discussie over flexwerk nog steeds actueel is.
Flexibiliteit blijft nodig, maar zekerheid weegt zwaar
In horeca, zorg, winkels, logistiek en onderwijs is flexibel personeel vaak nodig. Niet iedere werkdag is even druk en uitval door ziekte of vakantie moet worden opgevangen. Voor werkgevers is het daarom lastig om volledig zonder flexibele inzet te werken.
Tegelijkertijd wordt de vraag steeds relevanter hoeveel onzekerheid daarbij acceptabel is. Voor iemand met een huurwoning, kinderen of vaste maandlasten kan het verschil tussen vaste uren en oproepwerk groot zijn.
De nieuwste CBS-cijfers laten vooral zien dat de arbeidsmarkt niet stil staat. Flexwerk groeit weer, het aantal zzp’ers daalt verder en het totaal aantal werkenden neemt nog maar beperkt toe. Hoe werk wordt georganiseerd, blijft daarmee minstens zo belangrijk als het aantal banen dat erbij komt.
Bron: CBS.
