De koopkracht van Nederlanders is in 2025 opnieuw gestegen. In doorsnee gingen mensen er 1,2 procent op vooruit. Daarmee groeit de koopkracht voor het derde jaar op rij, maar de stijging is duidelijk minder sterk dan in 2024.
Vooral werknemers zagen hun financiële ruimte toenemen. Zij profiteerden van flinke cao-loonstijgingen, waardoor hun inkomen harder steeg dan de inflatie. Voor zelfstandigen en gepensioneerden was het beeld veel vlakker. Hun koopkracht ging nauwelijks omhoog.
Dat maakt de nieuwste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek positief, maar niet voor iedereen even voelbaar. Gemiddeld ging Nederland erop vooruit, maar achter dat cijfer zitten grote verschillen tussen werkenden, ondernemers, gepensioneerden en mensen met een uitkering.
Derde jaar op rij koopkrachtgroei
Na de koopkrachtdaling in 2022 is de koopkracht nu drie jaar achter elkaar gestegen. In 2023 was de stijging nog beperkt met 0,6 procent. In 2024 volgde een veel sterkere plus van 3,8 procent. In 2025 komt daar voorlopig 1,2 procent bij.
Dat betekent niet dat iedereen 1,2 procent meer te besteden had. Het CBS kijkt naar de doorsnee koopkrachtontwikkeling. De ene helft van de bevolking had een lagere ontwikkeling, de andere helft kwam minstens op dit niveau uit.
Koopkracht gaat bovendien niet alleen over het inkomen dat binnenkomt, maar ook over wat prijzen doen. Als lonen stijgen, maar boodschappen, energie, huur, zorg en verzekeringen ook duurder worden, kan het netto gevoel heel anders zijn dan het officiële cijfer.
Toch laat de stijging zien dat de zware koopkrachtklap van 2022 deels is opgevangen. De inflatie is niet verdwenen, maar inkomens zijn in 2025 gemiddeld wel harder gestegen dan de prijzen.
Werknemers profiteren het meest
De grootste koopkrachtstijging zat bij mensen in werknemershuishoudens. Hun koopkracht nam in doorsnee met 2,2 procent toe. Ruim zes op de tien mensen in zo’n huishouden gingen erop vooruit.
De belangrijkste reden is simpel: de lonen stegen stevig. De cao-lonen gingen in 2025 met 5,0 procent omhoog. Daar stond een inflatie van 3,3 procent tegenover. Daardoor kwam de reële cao-loonontwikkeling uit op 1,6 procent.
Voor veel werknemers betekende dat eindelijk wat extra ruimte na jaren waarin prijsstijgingen veel hebben opgeslokt. Zeker huishoudens met vaste banen en doorlopende cao-afspraken konden daarvan profiteren.
Maar ook binnen werknemershuishoudens ging niet iedereen erop vooruit. Wie tijdelijk werk verloor, minder uren werkte of in een andere situatie terechtkwam, kon juist koopkracht inleveren. Volgens het CBS had ongeveer vier op de tien mensen in een werknemershuishouden te maken met een koopkrachtdaling.
Hogere lonen, maar geen vanzelfsprekend gevoel van ruimte
Dat werknemers er gemiddeld het meest op vooruitgingen, betekent niet automatisch dat de portemonnee ineens ruim voelt. Veel prijzen liggen nog altijd veel hoger dan enkele jaren geleden. Een loonstijging kan dus tegelijk welkom zijn en toch voelen als inhalen.
Boodschappen, energie, verzekeringen, zorgpremie en woonlasten zijn voor veel huishoudens stevige posten gebleven. Daardoor kan een positief koopkrachtcijfer botsen met de dagelijkse ervaring.
Vooral huishoudens met hoge vaste lasten merken dat. Een werknemer kan meer loon ontvangen, maar als huur, kinderopvang, energie of hypotheeklasten tegelijk oplopen, blijft het gevoel van financiële ruimte beperkt.
De koopkrachtstijging is dus vooral een teken dat inkomens gemiddeld beter meebewogen met prijzen. Het is geen signaal dat de druk op huishoudens verdwenen is.
Zelfstandigen nauwelijks vooruit
Voor zelfstandigen was 2025 een veel minder sterk jaar. Hun koopkracht steeg in doorsnee met slechts 0,1 procent. Dat is bijna stilstand.
Volgens het CBS speelt mee dat heffingskortingen veranderden, maar vooral ook dat fiscale voordelen voor zelfstandigen verder zijn afgebouwd. De zelfstandigenaftrek is verlaagd en ook de mkb-winstvrijstelling ging omlaag. Daardoor blijft er bij zelfstandigen relatief minder over van het inkomen uit onderneming.
Dat raakt vooral ondernemers die geen grote marges hebben. Kosten voor verzekeringen, pensioen, administratie, software, vervoer, energie en zakelijke diensten lopen door. Als fiscale voordelen kleiner worden en tarieven niet voldoende meestijgen, blijft de koopkracht onder druk.
Het CBS plaatst wel een kanttekening bij de cijfers voor zelfstandigen. De waarneming over 2025 is nog minder compleet dan bij andere groepen. Het voorlopige cijfer kan later dus nog sterker worden bijgesteld.
Ondernemers voelen andere dynamiek dan werknemers
Het verschil tussen werknemers en zelfstandigen is belangrijk. Werknemers profiteren relatief direct van cao-afspraken. Voor zelfstandigen werkt dat anders. Zij moeten hun tarieven zelf verhogen, hogere kosten doorberekenen of meer omzet draaien.
Dat lukt niet iedereen. Sommige ondernemers kunnen tarieven makkelijk aanpassen omdat de vraag hoog is. Andere ondernemers zitten vast aan contracten, concurrentiedruk of klanten die prijsverhogingen niet accepteren.
Daar komt bij dat zelfstandigen meer risico zelf dragen. Ziekte, minder opdrachten, pensioenopbouw en arbeidsongeschiktheid worden niet op dezelfde manier opgevangen als bij werknemers. Daardoor kan een klein positief koopkrachtcijfer in de praktijk kwetsbaar voelen.
De cijfers passen bij een bredere beweging waarin de overheid de fiscale verschillen tussen werknemers en zelfstandigen wil verkleinen. Voor zelfstandigen betekent dat minder voordeel, maar niet automatisch meer zekerheid.
Gepensioneerden blijven beperkt vooruitgaan
Ook gepensioneerden zagen maar een kleine koopkrachtstijging. In doorsnee ging het om 0,3 procent. Dat is aanzienlijk minder dan bij werknemers.
De AOW steeg mee met het minimumloon, en dat hielp vooral gepensioneerden die sterk afhankelijk zijn van AOW. Maar bij mensen met aanvullend pensioen werd dat voordeel vaak gedempt. De indexatie van pensioenuitkeringen bleef achter bij de inflatie.
Voor gepensioneerden met relatief veel aanvullend pensioen was de koopkrachtgroei daardoor heel beperkt. In de hoogste inkomensgroepen onder gepensioneerden was zelfs sprake van koopkrachtdaling.
Dat laat zien dat pensioeninkomen anders werkt dan loon. Werknemers kunnen soms meer uren werken, van baan veranderen of onderhandelen over loon. Gepensioneerden zijn veel afhankelijker van AOW, pensioenindexatie en belastingmaatregelen.
Hoog pensioeninkomen niet automatisch voordeel
Opvallend is dat gepensioneerden met hogere inkomens er minder goed uitsprongen dan gepensioneerden met lagere inkomens. In de hoogste inkomensgroep daalde de koopkracht met 1,2 procent. In de negende inkomensgroep ging het om een daling van 0,2 procent.
Dat komt doordat het voordeel van een hogere AOW-uitkering voor deze groep relatief minder zwaar weegt. Aanvullend pensioen bepaalt een groter deel van het inkomen. Als dat pensioen niet voldoende wordt geïndexeerd, blijft de koopkracht achter.
Voor lagere pensioeninkomens werkt de AOW-stijging juist sterker door. Daardoor kwamen zij vaker nog licht positief uit.
Het verschil maakt duidelijk dat “gepensioneerden” geen eenvormige groep zijn. De financiële positie van iemand met alleen AOW is anders dan die van iemand met een ruim aanvullend pensioen, een afgeloste woning of juist hoge huur- en zorgkosten.
Bijstandshuishoudens gaan vaker vooruit
Mensen in bijstandshuishoudens zagen in 2025 een doorsnee koopkrachtstijging van 1,3 procent. Volgens het CBS ging zeven op de tien mensen in deze groep erop vooruit.
Dat hangt onder meer samen met de stijging van het minimumloon. De bijstandsuitkering is daaraan gekoppeld. Als het minimumloon stijgt, werkt dat dus ook door in de bijstand en in de AOW.
In 2024 was de koopkrachtstijging voor bijstandshuishoudens nog maar 0,2 procent. De plus in 2025 is dus duidelijk hoger. Toch blijft ook hier nuance nodig. Een stijging van 1,3 procent helpt, maar bij lage inkomens is de ruimte vaak nog steeds klein.
Wie in de bijstand zit, geeft een groot deel van het inkomen uit aan vaste lasten. Een kleine stijging kan daardoor snel verdwijnen in huur, energie, boodschappen of zorgkosten.
Heffingskortingen werken minder door
Een verschil met eerdere jaren is dat de jarenlange stijging van heffingskortingen tot stilstand kwam. De algemene heffingskorting werd in 2025 verlaagd en de arbeidskorting steeg nog maar beperkt.
Heffingskortingen zijn belangrijk voor wat mensen netto overhouden. Ze verlagen de belasting die iemand moet betalen. In eerdere jaren werden ze gebruikt om werkenden en mensen met lagere inkomens financieel te ondersteunen.
Als die steun minder hard groeit of wordt verlaagd, werkt dat direct door in koopkracht. Voor werknemers werd dat in 2025 grotendeels opgevangen door loonstijgingen. Voor zelfstandigen en gepensioneerden lag dat moeilijker.
Daarmee laat 2025 goed zien hoe koopkracht uit meerdere onderdelen bestaat. Lonen, uitkeringen, pensioenen, belastingen en prijzen bewegen allemaal tegelijk. Het uiteindelijke effect verschilt per huishouden.
2025 is positief, maar minder sterk dan 2024
De stijging van 1,2 procent klinkt positief, maar ligt duidelijk lager dan de 3,8 procent in 2024. Dat verschil komt doordat 2024 een uitzonderlijk sterker hersteljaar was na de inflatieschok van eerdere jaren.
In 2025 is de groei gematigder. Werknemers gaan nog duidelijk vooruit, maar andere groepen blijven achter. Daardoor is het gemiddelde cijfer lager.
Voor huishoudens kan dat betekenen dat 2025 minder voelt als herstel en meer als stabilisatie. De ergste koopkrachtklap is niet terug, maar de financiële ruimte groeit ook niet breed door.
Dat past bij de bredere economische situatie. Nederland groeit nog, de arbeidsmarkt is nog altijd krap, maar kosten blijven hoog en de koopkrachtverwachtingen voor 2027 staan alweer onder druk.
Koopkrachtcijfer vertelt niet alles
Het koopkrachtcijfer is nuttig, maar niet volledig. Het laat zien hoe het besteedbaar inkomen zich ontwikkelt ten opzichte van prijzen. Maar het zegt weinig over spaargeld, schulden, woonlasten, vermogen of onverwachte kosten.
Een huishouden met een eigen woning, lage hypotheek en spaargeld ervaart 1,2 procent koopkrachtgroei anders dan een huurder met hoge energielasten en weinig buffer. Ook gezinsgrootte, zorgkosten, vervoer en kinderopvang maken veel verschil.
Daarom kan de officiële koopkracht stijgen terwijl mensen toch weinig ontspanning voelen. Vooral vaste lasten bepalen in de praktijk hoe vrij besteedbaar inkomen wordt ervaren.
Het CBS-cijfer is dus geen gevoelstemperatuur van elk huishouden. Het is een gemiddelde richtingaanwijzer.
Vooruitgang is ongelijk verdeeld
De koopkracht steeg in 2025, maar de verdeling is ongelijk. Werknemers deden het duidelijk beter dan zelfstandigen en gepensioneerden. Bijstandshuishoudens zagen gemiddeld ook groei, maar blijven financieel kwetsbaar door lage inkomens.
Voor ondernemers is vooral de combinatie van beperkte koopkrachtgroei en afbouw van fiscale voordelen belangrijk. Voor gepensioneerden speelt vooral de vraag of pensioenen voldoende meestijgen met prijzen. Voor werknemers blijft de vraag of loonstijgingen voldoende zijn om hoge vaste lasten te blijven dragen.
Daarmee is het koopkrachtbeeld minder eenvoudig dan één positief percentage. Nederland ging er gemiddeld op vooruit, maar niet iedereen voelde dezelfde verbetering.
Meer loon hielp, maar druk blijft
De koopkrachtgroei van 2025 komt vooral door hogere lonen. Dat is goed nieuws voor werknemers en helpt de bestedingen in de economie. Als mensen meer te besteden hebben, kan dat winkels, horeca en dienstverlening ondersteunen.
Maar hogere lonen zijn ook kosten voor werkgevers. Bedrijven die personeel duurder zien worden, kunnen proberen die kosten door te berekenen. Dat kan later weer invloed hebben op prijzen.
Daarmee blijft koopkracht verbonden met inflatie, arbeidsmarkt en bedrijfsleven. Werknemers willen hun inkomen beschermen, werkgevers kijken naar marges en consumenten merken uiteindelijk wat prijzen doen.
Koopkracht herstelt, maar voorzichtig
De nieuwste CBS-cijfers geven een gematigd positief beeld. De koopkracht steeg in 2025 voor het derde jaar op rij en werknemers profiteerden het meest van hogere lonen. Dat laat zien dat inkomens weer beter meebewegen met de prijsontwikkeling.
Maar de verschillen zijn groot. Zelfstandigen kwamen nauwelijks vooruit, gepensioneerden zagen maar beperkte groei en binnen groepen zijn de verschillen nog groter. Voor veel huishoudens blijft het dagelijkse gevoel afhankelijk van vaste lasten, woonkosten, energie, zorg en financiële buffer.
Daarom is 2025 geen jaar van brede opluchting, maar eerder van voorzichtig herstel. De koopkracht is gemiddeld verbeterd, alleen niet op een manier die voor iedereen even duidelijk voelbaar is.
Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek en StatLine.