De Hoge Raad heeft beslist dat de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de uitvoervergunning voor F-35-onderdelen naar Israël opnieuw moet beoordelen. Die herbeoordeling moet plaatsvinden binnen zes weken. De hoogste rechter stelt dat de minister expliciet moet nagaan of er een duidelijk risico bestaat op ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.
Achtergrond van de vergunning
Nederland is betrokken bij de levering van onderdelen voor F-35-gevechtsvliegtuigen. Het gaat om militaire goederen waarvoor sinds 2016 een vergunning geldt, die voor onbepaalde tijd werd verleend. Onder deze regeling konden ook Israëlische defensiebedrijven onderdelen ontvangen.
Toen Hamas op 7 oktober 2023 Israël aanviel en het land vervolgens militair reageerde in Gaza, besloot de minister de vergunning tegen het licht te houden. De uitkomst was dat de export mocht doorgaan. Die keuze stuitte echter op kritiek.
Juridische strijd door ngo’s
Oxfam Novib en andere organisaties stapten naar de rechter. Zij vroegen om een onmiddellijke stop van de uitvoer van onderdelen naar Israël. De voorzieningenrechter wees hun verzoek af, maar in hoger beroep besliste het gerechtshof dat de export per direct moest worden stilgelegd.
Daarna volgde cassatie bij de Hoge Raad. De Staat voerde aan dat de minister niet verplicht was tot een nieuwe toetsing, maar dit uit eigen beweging deed. Ook stelde de regering dat in kwesties van nationale veiligheid en buitenlands beleid de rechter slechts met grote terughoudendheid mag ingrijpen.
Argumenten van de Staat
Volgens de Staat beschikte de minister over ruime beleidsvrijheid. Het hof zou die vrijheid te weinig hebben gerespecteerd. Bovendien vond de Staat dat de rechter zelf niet had mogen beoordelen of sprake was van een risico op schendingen van het humanitair recht.
Die redenering kreeg deels gehoor bij de Hoge Raad. Hoewel de minister inderdaad ruimte heeft om besluiten te nemen, geldt dat een herbeoordeling altijd moet plaatsvinden volgens internationale regels. Daarbij gaat het om verplichtingen uit het Wapenhandelsverdrag en het Gemeenschappelijk Standpunt van de EU.
Advies en uiteindelijke beslissing
In 2024 had de advocaat-generaal de Hoge Raad nog geadviseerd om het oordeel van het hof te laten staan. De Hoge Raad koos echter voor een andere lijn. Volgens de hoogste rechter is het niet aan de rechter om zelf te toetsen of het risico aanwezig is, maar om de minister op te dragen dat zorgvuldig te onderzoeken.
Kortom: de herbeoordeling moet over. En dit keer volgens de juiste maatstaf.
Het criterium van risico
Centraal staat het criterium of er een “duidelijk risico” is dat de geëxporteerde goederen worden ingezet voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Is dat risico aanwezig, dan mag de vergunning niet in stand blijven.
De Hoge Raad benadrukte dat dit criterium bindend is en rechtstreeks voortvloeit uit internationale verdragen. Nederland kan zich daar niet aan onttrekken.
Praktische gevolgen
Voorlopig geldt dat de minister na de uitspraak van het hof al een aanpassing had doorgevoerd. De vergunning staat nu geen uitvoer van F-35-onderdelen naar Israël meer toe. Dat blijft zo, totdat de minister een nieuw besluit neemt.
Wat de uitkomst van die herbeoordeling zal zijn, is nog onduidelijk. Het besluit kan later opnieuw onderwerp van een rechtszaak worden. Daarmee blijft de juridische strijd over de F-35-export voorlopig actueel.
Breder debat over wapenexport
De kwestie past in een bredere discussie over de export van wapens naar conflictgebieden. Verschillende organisaties wijzen op het risico dat militaire middelen worden gebruikt in situaties waarin burgers het slachtoffer worden. De uitspraak van de Hoge Raad onderstreept dat Nederland gebonden is aan internationale regels die dat moeten voorkomen.
Tegelijkertijd benadrukt de zaak de spanning tussen politiek beleid en juridische toetsing. De minister heeft beoordelingsruimte, maar die ruimte wordt begrensd door verdragen en Europese afspraken. De rechter mag niet zelf invullen wat een risico inhoudt, maar kan wel afdwingen dat de juiste toets wordt toegepast.
Vervolgstappen
Binnen zes weken moet duidelijk zijn of de minister de vergunning in de huidige vorm handhaaft of wijzigt. Tot die tijd geldt het exportverbod dat eerder werd ingesteld. Hoe het besluit ook uitvalt, betrokken organisaties hebben al laten weten het proces nauwgezet te blijven volgen.
De verwachting is dat het oordeel opnieuw voer voor debat zal zijn in politiek Den Haag en daarbuiten. Het raakt immers aan gevoelige vragen over veiligheid, buitenlandse politiek en mensenrechten.
Bron: Hoge Raad