dinsdag, oktober 20, 2026
6 C
Groningen

Opgroeien met bijstand hangt samen met minder werk en lagere lonen

De financiële situatie thuis tijdens de tienerjaren blijkt jaren later nog samen te hangen met de positie op de arbeidsmarkt. Jongvolwassenen die opgroeiden in een huishouden met bijstand hebben op hun 29e minder vaak werk, verdienen gemiddeld een lager uurloon en hebben minder vaak een vast contract dan leeftijdsgenoten die niet met bijstand opgroeiden.

Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Vooral bij jongeren die langdurig in een bijstandsgezin woonden, zijn de verschillen groot. Van deze groep heeft 69 procent op 29-jarige leeftijd werk, tegenover 89 procent van de leeftijdsgenoten die tijdens hun tienerjaren niet in een huishouden met bijstand woonden.

Ook in het onderwijs zijn de verschillen zichtbaar. Jongeren uit bijstandsgezinnen behalen minder vaak een diploma in het hoger onderwijs. Daarmee raken de cijfers aan een bredere discussie over kansenongelijkheid. Niet iedereen begint vanuit dezelfde omstandigheden aan een opleiding, loopbaan of zelfstandig bestaan.

Een op de tien groeide op met bijstand

Voor het onderzoek volgde het CBS 186 duizend mensen die in 2013 achttien jaar werden. Zij woonden tussen hun twaalfde en achttiende in Nederland en waren in 2024 29 jaar oud. Door gegevens over inkomen, huishoudens, opleiding en werk over een lange periode te combineren, kon het CBS bekijken hoe hun situatie veranderde.

Van deze groep groeide ongeveer 90 procent op in een huishouden dat tijdens de onderzochte tienerjaren nooit bijstand ontving. Bij ongeveer één op de tien was dat wel het geval.

Voor 3 procent duurde die periode vijf jaar of langer. De overige jongeren uit bijstandsgezinnen maakten gedurende een kortere periode mee dat hun huishouden een bijstandsuitkering ontving.

Dat onderscheid is belangrijk. Een gezin dat tijdelijk op bijstand is aangewezen na bijvoorbeeld baanverlies, kan in een andere situatie verkeren dan een gezin dat jarenlang afhankelijk blijft van een uitkering. Toch laat het onderzoek zien dat ook een relatief korte periode met bijstand samenhangt met een minder gunstige arbeidsmarktpositie op latere leeftijd.

Verschil van twintig procentpunt in werk

Het verschil in arbeidsdeelname is aanzienlijk. Van de 29-jarigen die nooit met bijstand opgroeiden, had 89 procent werk als voornaamste inkomensbron.

Bij jongeren die minder dan een jaar in een bijstandsgezin woonden, was dat 77 procent. Wanneer een huishouden één tot drie jaar bijstand ontving, daalde het aandeel werkenden naar 73 procent.

Bij drie tot vijf jaar bijstand ging het om 70 procent. Onder jongeren die vijf jaar of langer in een bijstandsgezin opgroeiden, had 69 procent werk.

Het patroon is daarmee duidelijk. Naarmate jongeren tijdens hun tienerjaren langer in een huishouden met bijstand woonden, hebben zij op hun 29e minder vaak betaald werk als belangrijkste inkomensbron.

Dat betekent overigens niet dat de meerderheid van deze groep buiten de arbeidsmarkt staat. Ook van de jongeren die langdurig met bijstand opgroeiden, is ruim twee derde aan het werk. De cijfers laten vooral zien dat hun arbeidsdeelname duidelijk achterblijft bij die van andere leeftijdsgenoten.

Later ook vaker afhankelijk van een uitkering

Een ander opvallend verschil is het gebruik van uitkeringen op volwassen leeftijd. Van de mensen die tijdens hun tienerjaren niet in een huishouden met bijstand woonden, had 6 procent op 29-jarige leeftijd een uitkering als belangrijkste inkomensbron. Bij jongeren die vijf jaar of langer met bijstand opgroeiden, was dat 20 procent. Dat is ruim drie keer zo veel.

Het gaat hierbij niet uitsluitend om bijstand. Ook arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en WW-uitkeringen tellen mee. Het zou daarom onjuist zijn om te stellen dat één op de vijf jongeren uit langdurige bijstandsgezinnen later zelf in de bijstand belandt. Wat de cijfers wel laten zien, is dat deze groep op volwassen leeftijd vaker afhankelijk is van inkomensondersteuning.

Dat kan verschillende achtergronden hebben. Niet kunnen werken door gezondheidsproblemen is iets anders dan tijdelijk werkloos raken of geen passende baan kunnen vinden. Het onderzoek brengt deze situaties samen in het bredere beeld van de belangrijkste inkomensbron.

Hoger onderwijs veel minder vaak afgerond

Ook opleidingsniveau maakt een groot verschil. Van de jongvolwassenen die tijdens hun tienerjaren nooit in een huishouden met bijstand woonden, had de helft op 29-jarige leeftijd een hbo- of wo-diploma. Bij jongeren die wel met bijstand opgroeiden, lag dat aandeel rond de 20 procent. Het verschil is dus ongeveer dertig procentpunt.

Daar staat tegenover dat veel jongeren uit bijstandsgezinnen wel degelijk een andere opleiding afronden. Ongeveer 55 procent heeft een havo-, vwo- of mbo-diploma op niveau 2 of hoger als hoogst behaalde onderwijsniveau.

Dat is relevant, omdat een mbo-opleiding eveneens een goede basis voor werk kan vormen. Zeker in sectoren als techniek, bouw, zorg en logistiek is veel vraag naar praktisch opgeleide vakmensen.

Het gaat dus niet uitsluitend om de vraag hoeveel jongeren naar het hoger onderwijs gaan. Ook de aansluiting tussen opleiding en arbeidsmarkt is belangrijk.

Toch valt het verschil bij hbo en universiteit op. Het laat zien dat de route naar het hoger onderwijs voor jongeren uit verschillende inkomenssituaties niet even vaak wordt afgelegd.

Minder zekerheid, ook wanneer jongeren werken

De verschillen verdwijnen niet wanneer jongeren eenmaal een baan hebben. Van de werknemers die niet met bijstand opgroeiden, had 71 procent op 29-jarige leeftijd een vast contract. Onder werknemers die tijdens hun jeugd wel een aantal jaren in een bijstandsgezin woonden, lag dat rond de 60 procent.

Daarnaast werken zij gemiddeld minder uren per week en verdienen zij een lager uurloon. Dat laatste is belangrijk. Een lagere arbeidsdeelname vertelt maar een deel van het verhaal. Ook de positie van mensen die wél werken, verschilt.

Een vast contract kan meer zekerheid bieden bij het huren of kopen van een woning, het aangaan van financiële verplichtingen en het plannen van de toekomst. Een lager uurloon en minder werkuren kunnen ervoor zorgen dat het moeilijker wordt om te sparen of onverwachte uitgaven op te vangen.

Zo kan een verschil in opleiding en arbeidsmarktpositie gedurende de eerste jaren van het volwassen leven verder doorwerken.

Waarom de thuissituatie verschil kan maken

De cijfers roepen een belangrijke vraag op: waarom hangen de inkomensomstandigheden tijdens de jeugd zo sterk samen met werk en opleiding op volwassen leeftijd? Daarvoor bestaat geen eenvoudige verklaring.

Financiële onzekerheid kan invloed hebben op het dagelijks leven van een gezin. Denk aan beperkte ruimte voor schoolactiviteiten, bijles, sport of een rustige studieplek. Ook kunnen zorgen over geld, gezondheid of de thuissituatie invloed hebben op de ontwikkeling van kinderen.

Niet ieder gezin met bijstand krijgt met dezelfde problemen te maken. En een laag inkomen zegt op zichzelf niets over de betrokkenheid of inzet van ouders. Wel blijkt uit eerder onderzoek dat kinderen in gezinnen met weinig financiële middelen vaker te maken krijgen met meerdere omstandigheden die hun ontwikkeling kunnen bemoeilijken.

Dat kan bijvoorbeeld gaan om gezondheidsproblemen binnen het gezin, instabiliteit of een lager opleidingsniveau van ouders.

Het CBS benadrukt dat zulke factoren elkaar kunnen versterken. Juist de combinatie van verschillende problemen kan van invloed zijn op de mogelijkheden die jongeren krijgen.

Verband blijft bestaan na correctie voor achtergrond

In het uitgebreidere onderzoek heeft het CBS ook rekening gehouden met verschillende achtergrondkenmerken van jongeren en hun gezinnen.

Daaruit blijkt dat de samenhang tussen opgroeien met bijstand en later minder vaak werken kleiner wordt wanneer die kenmerken worden meegewogen. Maar het verschil verdwijnt niet volledig.

Dat is een belangrijke uitkomst, al moet deze zorgvuldig worden geïnterpreteerd.

Het onderzoek bewijst niet dat het ontvangen van bijstand door ouders rechtstreeks veroorzaakt dat hun kinderen later minder vaak werken. Gezondheid, opleidingsniveau, gezinssituatie en andere omstandigheden kunnen eveneens bijdragen aan de gevonden verschillen.

Ook kunnen sommige omstandigheden zowel samenhangen met de bijstandsafhankelijkheid van ouders als met de latere arbeidsmarktpositie van hun kinderen.

Het CBS spreekt daarom van een statistisch verband, niet van een bewezen oorzaak-gevolgrelatie.

Dat onderscheid voorkomt dat de verantwoordelijkheid voor minder gunstige arbeidsmarktkansen eenvoudig bij gezinnen met bijstand wordt gelegd.

Een achterstand hoeft niet blijvend te zijn

Het onderzoek volgt één groep jongeren tot hun 29e. Dat levert waardevolle inzichten op, maar betekent niet dat hun verdere loopbaan al vastligt.

Mensen kunnen op latere leeftijd alsnog een opleiding afronden, omscholen, doorgroeien of een vaste baan vinden. Ook kunnen persoonlijke omstandigheden veranderen waardoor werken makkelijker wordt.

Bovendien zijn de verschillen tussen individuen groot. Niet iedere jongere uit een bijstandsgezin heeft moeite om werk te vinden. En niet iedereen die opgroeit in een financieel stabiel huishouden krijgt automatisch een goede baan.

Toch maakt de uitkomst duidelijk dat de omstandigheden waarin jongeren opgroeien niet los kunnen worden gezien van hun latere mogelijkheden.

Voor scholen, gemeenten en werkgevers is dat een relevant gegeven. Ondersteuning tijdens de schooltijd kan belangrijk zijn, maar ook de overstap naar vervolgonderwijs en uiteindelijk betaald werk verdient aandacht.

Onderwijs kan een belangrijke schakel zijn

Het grote verschil in behaalde diploma’s maakt onderwijs tot een belangrijk aandachtspunt.

Een diploma biedt geen garantie op een goede loopbaan, maar kan wel toegang geven tot functies, doorgroeimogelijkheden en een hoger inkomen.

Voor jongeren die thuis minder financiële mogelijkheden hebben, kan de overstap naar vervolgonderwijs extra ingewikkeld zijn. Studiekosten, vervoer, huisvesting en de noodzaak om naast school geld te verdienen kunnen een rol spelen.

Ook goede begeleiding bij studie- en beroepskeuze is belangrijk. Niet iedere jongere beschikt thuis over dezelfde kennis van opleidingen, beroepen en arbeidsmarktkansen.

Daarom ligt er een mogelijke rol bij scholen, gemeenten, leerbedrijven en werkgevers om jongeren vroeg kennis te laten maken met beroepen en opleidingsroutes.

Dat hoeft niet uitsluitend via het hoger onderwijs. Ook mbo-opleidingen, praktijkleren, stages en leerwerktrajecten kunnen jongeren helpen een stevige positie op de arbeidsmarkt op te bouwen.

Krappe arbeidsmarkt biedt ook kansen

De uitkomsten zijn extra relevant nu Nederland in veel sectoren nog steeds personeel tekortkomt.

Werkgevers zoeken onder meer technici, zorgmedewerkers, bouwvakkers, logistiek personeel en mensen in verschillende vormen van dienstverlening. Tegelijk lukt het niet iedere jongvolwassene om duurzaam aan het werk te komen.

Dat verschil tussen vraag en aanbod vraagt aandacht.

Voor sommige jongeren is een vacature alleen niet voldoende. Zij kunnen begeleiding nodig hebben bij het vinden van een opleiding, het opdoen van werkervaring of het overbruggen van de stap naar een eerste baan.

Ook de contractvorm telt mee. Wanneer jongeren voornamelijk tijdelijke banen krijgen, kunnen zij wel werkervaring opbouwen, maar blijft hun financiële zekerheid beperkt.

Werkgevers die verder kijken dan een diploma of een traditioneel cv, kunnen mogelijk talent bereiken dat anders minder snel in beeld komt.

Denk aan leerwerkplekken, begeleiding tijdens de eerste werkmaanden en mogelijkheden om via praktijkervaring door te groeien. Zulke maatregelen bieden kansen, al laat het CBS-onderzoek zelf niet zien welke aanpak het meest effectief is.

Gemeenten staan voor bredere opgave

Voor gemeenten raken de cijfers aan verschillende beleidsterreinen tegelijk. Bijstand, jeugdbeleid, onderwijs, schuldhulpverlening en begeleiding naar werk worden vaak afzonderlijk georganiseerd, terwijl problemen binnen een huishouden elkaar kunnen beïnvloeden.

Een gezin kan bijvoorbeeld ondersteuning nodig hebben bij inkomen, schulden of gezondheid, terwijl kinderen tegelijkertijd begeleiding op school nodig hebben.

De cijfers laten zien waarom het belangrijk kan zijn om niet alleen naar de financiële situatie van ouders te kijken, maar ook naar de ontwikkelingsmogelijkheden van hun kinderen.

Dat betekent niet dat ieder gezin met bijstand extra hulp nodig heeft. Wel kunnen gemeenten en scholen beter onderzoeken waar ondersteuning verschil kan maken en welke jongeren risico lopen om later moeilijker aansluiting te vinden op de arbeidsmarkt.

De uitdaging is om kansen te vergroten zonder jongeren op basis van de inkomenssituatie van hun ouders bij voorbaat als kwetsbaar te bestempelen.

Vervolgonderzoek moet verklaringen scherper krijgen

Het CBS ziet zelf aanleiding voor verder onderzoek.

Zo zou een vergelijking tussen jongeren uit bijstandsgezinnen en jongeren uit gezinnen met een laag inkomen uit werk meer inzicht kunnen geven. Daarmee wordt mogelijk duidelijker welke verschillen samenhangen met financiële omstandigheden en welke specifiek met andere kenmerken van bijstandsgezinnen.

Ook de rol van mentale gezondheid verdient nader onderzoek.

Dat is belangrijk voordat er harde conclusies worden getrokken over oorzaken en mogelijke oplossingen.

De nieuwe cijfers beschrijven immers een patroon, maar niet het volledige verhaal achter individuele levenslopen. Ze laten zien waar verschillen ontstaan en blijven bestaan, zonder iedere verklaring al te kunnen geven.

Kansenongelijkheid blijft zichtbaar op volwassen leeftijd

Het onderzoek maakt duidelijk dat verschillen in de uitgangspositie van jongeren niet vanzelf verdwijnen wanneer zij volwassen worden.

Op 29-jarige leeftijd hebben jongeren uit langdurige bijstandsgezinnen minder vaak werk, vaker een uitkering als belangrijkste inkomensbron en minder vaak een vast contract. Ook hebben zij minder vaak een diploma in het hoger onderwijs en verdienen werkenden gemiddeld een lager uurloon.

Tegelijk is het belangrijk dat de meeste jongeren uit deze groep wel degelijk werken en dat veel van hen een opleiding hebben afgerond. Opgroeien met bijstand bepaalt dus niet iemands toekomst, maar hangt wel samen met de kansen en omstandigheden waarmee iemand later te maken krijgt.

Voor een land waarin werk, scholing en bestaanszekerheid voortdurend onderwerp van discussie zijn, is dat een relevant signaal. De positie van mensen op de arbeidsmarkt begint niet pas bij hun eerste sollicitatie.

Een deel van de verschillen is al zichtbaar in de jaren daarvoor. Wie wil dat meer mensen duurzaam aan het werk komen, zal daarom ook moeten kijken naar de mogelijkheden die jongeren tijdens hun jeugd en opleiding krijgen.

Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Opgroeien in de bijstand: opleiding, werk en uitkering op jongvolwassen leeftijd, en CBS StatLine.

Recente publicaties

Industriële productie groeit sterk, maar herstel is niet overal zichtbaar

De Nederlandse industrie heeft in augustus opnieuw stevig meer...

Huishoudens geven ruim 2 procent meer uit, vooral aan duurzame goederen

Nederlandse huishoudens hebben in augustus duidelijk meer uitgegeven dan...

Arbeidsproductiviteit stijgt, maar groei komt met minder gewerkte uren

De commerciële sector heeft in 2025 meer waarde geproduceerd...

Studieschuld daalt voor het eerst, maar hoge schulden blijven zichtbaar

De totale studieschuld in Nederland is voor het eerst...

Inflatie loopt weer iets op door hogere energieprijzen

De inflatie is in september opnieuw iets gestegen. Volgens...

Gerelateerde artikelen