Een steeds groter deel van de mensen die voor het eerst een corporatiewoning betrekken, is statushouder. In 2024 ging het om 21 procent van alle startershuishoudens die in een vrijgekomen corporatiewoning terechtkwamen. Zes jaar eerder was dat nog 9 procent. Dat blijkt uit nieuwe cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) woensdag heeft gepubliceerd.
Het aantal startershuishoudens met een statushouder steeg in die periode van ongeveer 3.500 naar 8.800. Vooral sinds 2021 is de toename duidelijk zichtbaar. Toch geven die percentages niet het volledige beeld van de sociale huurmarkt. Van alle corporatiewoningen die in 2024 beschikbaar kwamen, werd ongeveer 8 procent toegewezen aan een huishouden met een statushouder. Dat aandeel is vrijwel gelijk aan dat van een jaar eerder.
De cijfers verschijnen terwijl de verdeling van sociale huurwoningen al langere tijd onderwerp van discussie is. Starters zoeken soms jarenlang naar een betaalbare woning en ook gemeenten hebben moeite om voldoende geschikte woonruimte beschikbaar te krijgen. Tegelijk zijn zij verantwoordelijk voor de huisvesting van statushouders, mensen die een verblijfsvergunning hebben gekregen en niet langer in de asielopvang hoeven te blijven.
Juist daarom is het belangrijk om naar de verschillende groepen woningzoekenden te kijken. Het percentage van 21 procent heeft uitsluitend betrekking op starters die een corporatiewoning kregen. Het zegt niet dat ruim een vijfde van alle sociale huurwoningen naar statushouders gaat.
Aandeel onder starters in zes jaar meer dan verdubbeld
In 2018 betrokken ongeveer 38.500 startershuishoudens een vrijgekomen corporatiewoning. Daarvan waren er 3.500 een huishouden met minstens één statushouder. In 2024 was het totale aantal starters met ongeveer 41.700 iets hoger, maar het aantal huishoudens met een statushouder was inmiddels opgelopen naar bijna 8.800.
Het aantal starters zonder statushouder veranderde in diezelfde periode veel minder. In 2018 ging het om ongeveer 35.000 huishoudens en in 2024 om 32.900. Daarmee is de stijging van het aandeel statushouders vooral terug te voeren op het grotere aantal huishoudens met een verblijfsstatus dat voor het eerst zelfstandig woonruimte betrekt.
Die ontwikkeling verliep niet gelijkmatig. In 2019 en 2020 lag het aantal startershuishoudens met een statushouder nog rond de 3.200. In 2021 verdubbelde dat bijna naar 6.200, waarna de aantallen verder opliepen. In 2023 waren het er ongeveer 8.200 en een jaar later bijna 8.800.
Volgens CBS-demograaf Ruben van Gaalen is het aandeel van ongeveer een vijfde onder starters de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven. De grote verandering wordt vooral zichtbaar wanneer de vergelijking verder teruggaat, naar 2018. Daarbij speelt volgens hem mee dat achterstanden in de huisvesting van statushouders uit eerdere jaren nog altijd worden ingehaald.
Wie een verblijfsvergunning krijgt, heeft namelijk niet automatisch meteen een woning. Veel mensen verblijven na hun vergunningverlening nog geruime tijd in een opvanglocatie. Wanneer zij uiteindelijk naar een corporatiewoning verhuizen, zijn zij voor de statistieken meestal starter op de Nederlandse woningmarkt.
Het CBS gebruikt daarbij een bredere definitie van starters dan alleen jongeren die voor het eerst uit huis gaan. Ook mensen die vanuit een instelling zelfstandig gaan wonen of aan het begin van het jaar nog niet in Nederland stonden ingeschreven, kunnen als starter worden aangemerkt. Dat verschil is belangrijk, omdat de samenstelling van deze groep daardoor anders is dan vaak wordt aangenomen.
Ruim 13.000 woningen naar huishoudens met statushouder
Kijkt het CBS naar alle vrijgekomen corporatiewoningen, dan is het aandeel aanzienlijk lager. In 2024 kwamen ongeveer 162.000 woningen beschikbaar voor nieuwe huishoudens. Van die woningen gingen er 13.150 naar huishoudens waarin minstens één statushouder woonde.
Dat komt neer op ongeveer 8 procent. In 2023 ging het om bijna 12.700 woningen, eveneens ongeveer 8 procent. Van een sterke stijging in het meest recente onderzoeksjaar is dus geen sprake.
De verklaring voor het verschil tussen 21 en 8 procent ligt bij de manier waarop mensen verhuizen. Niet iedereen die een corporatiewoning betrekt, is starter. Veel huurders verhuizen vanuit een andere woning. Zij laten daarbij soms opnieuw woonruimte achter voor een volgend huishouden.
Bij statushouders ligt dat anders. Ongeveer twee derde van de huishoudens met een statushouder dat in 2024 naar een corporatiewoning verhuisde, was starter. In 2018 was dat nog 39 procent. Huishoudens zonder statushouder die naar een corporatiewoning verhuisden, waren in 2024 veel minder vaak starter: ongeveer 22 procent.
Dat betekent dat statushouders relatief sterk vertegenwoordigd zijn onder mensen die een woning betrekken zonder eerder zelfstandig op de Nederlandse woningmarkt te hebben gewoond. Bij andere huurders is veel vaker sprake van een verhuizing tussen twee bestaande woningen.
Ook moet worden bedacht dat niet alle ruim 13.000 toewijzingen bestemd waren voor mensen die rechtstreeks vanuit een asielzoekerscentrum kwamen. Volgens het CBS had ongeveer de helft van de betrokken huishoudens een gezinslid dat begin 2024 nog in een COA-opvanglocatie verbleef of gedurende dat jaar een verblijfsvergunning kreeg. De overige huishoudens hadden al langer een verblijfsstatus en woonden buiten de opvang.
Statushouders laten minder vaak een woning achter
Een van de duidelijkste verschillen tussen beide groepen heeft te maken met doorstroming. Van de huishoudens met een statushouder die in 2024 naar een corporatiewoning verhuisden, liet ongeveer 16 procent een andere woning achter. Bij huishoudens zonder statushouder gebeurde dat in ruim de helft van de gevallen.
Nog eens bijna 18 procent van de huishoudens met een statushouder verhuisde vanuit een woning waar andere bewoners achterbleven. Denk bijvoorbeeld aan iemand die eerder bij familie of bekenden verbleef en vervolgens zelfstandig gaat wonen.
Voor de woningmarkt maakt dat verschil. Wanneer een huurder van de ene corporatiewoning naar de andere verhuist, komt de oude woning doorgaans opnieuw beschikbaar. Zo kan één verhuizing een keten op gang brengen waarin meerdere huishoudens een andere woning vinden.
Bij iemand die voor het eerst zelfstandig gaat wonen, ontstaat zo’n verhuisketen niet meteen. Die persoon betrekt een woning zonder dat er elders een zelfstandige woning vrijkomt. Dat geldt overigens net zo goed voor andere starters, zoals jongeren die hun ouderlijk huis verlaten.
Het verschil verklaart waarom de samenstelling van startershuishoudens afwijkt van die van alle nieuwe corporatiehuurders. Het CBS laat zien hoeveel woningen naar bepaalde groepen gaan en hoe zij verhuizen, maar de cijfers maken niet duidelijk hoeveel woningen afzonderlijk via voorrang, reguliere inschrijving of andere lokale regelingen zijn toegewezen.
Voor gemeenten en woningcorporaties is dat onderscheid relevant. Zij moeten niet alleen kijken naar hoeveel woningen jaarlijks vrijkomen, maar ook naar hoeveel huishoudens nieuw op de zelfstandige woningmarkt terechtkomen en dus niet bijdragen aan de doorstroming.
Vaker alleenstaand, minder gezinnen met kinderen
Bij de huishoudens met een statushouder die een corporatiewoning betrokken, is ook de samenstelling veranderd. Het aantal alleenstaanden nam toe. In 2024 ging het om ongeveer 8.500 eenpersoonshuishoudens met een statushouder, tegenover een kleiner aantal in eerdere jaren.
Van alle alleenstaanden die dat jaar naar een vrijgekomen corporatiewoning verhuisden, had ongeveer 8 procent een verblijfsstatus. Een jaar eerder was dat 7 procent.
Bij stellen met kinderen is juist een andere beweging zichtbaar. Van alle stellen met kinderen die een corporatiewoning betrokken, had in 2024 ongeveer 21 procent minstens één statushouder als gezinslid. In 2023 was dat nog 23 procent. In absolute aantallen ging het in 2024 om ongeveer 2.900 van deze gezinnen.
In meer dan de helft van de betrokken gezinnen was minstens één gezinslid relatief kort in het bezit van een verblijfsvergunning of verbleef diegene begin 2024 nog in een opvanglocatie.
De cijfers laten zien dat er niet één type huishouden bestaat dat vanuit een verblijfsstatus naar een corporatiewoning verhuist. Het gaat om alleenstaanden, stellen, eenoudergezinnen en gezinnen met kinderen. Die huishoudens hebben verschillende woonbehoeften. Een alleenstaande kan soms in een kleine woning terecht, terwijl een gezin meer kamers nodig heeft.
Juist de beschikbaarheid van passende woningen vormt voor gemeenten een praktische uitdaging. Een corporatiewoning kan vrijkomen, maar daarmee is nog niet gezegd dat de woning geschikt is voor het huishouden dat op dat moment huisvesting nodig heeft.
Grote verschillen tussen Flevoland en Noord-Nederland
De landelijke cijfers verbergen behoorlijke regionale verschillen. In Flevoland ging in 2024 ongeveer 12 procent van de vrijgekomen corporatiewoningen naar huishoudens met een statushouder. Daarmee had de provincie het hoogste aandeel van Nederland. Het Gooi en Vechtstreek volgde met ruim 11 procent en Utrecht met 10 procent.
In Noord-Nederland lagen de percentages over het algemeen lager. In Noord-Drenthe ging het om 6,9 procent van de vrijgekomen corporatiewoningen, in Zuidwest-Drenthe om 6,4 procent en in Zuidoost-Drenthe om 4,8 procent.
Ook binnen Groningen en Friesland lopen de cijfers uiteen. In Oost-Groningen werd 6,6 procent van de woningen toegewezen aan huishoudens met een statushouder, terwijl dat in Overig Groningen 7,8 procent was. Delfzijl en omgeving kende met minder dan 1 procent het laagste aandeel van Nederland. In Noord-Friesland lag het percentage op 8,2 procent, tegenover 7 procent in Zuidwest-Friesland en 6,7 procent in Zuidoost-Friesland.
De verschillen kunnen samenhangen met het beschikbare woningaanbod, de omvang en samenstelling van gemeenten en de manier waarop huisvesting lokaal wordt georganiseerd. De CBS-cijfers geven echter geen volledige verklaring voor de verschillen tussen regio’s.
Voor woningzoekenden is de lokale situatie vaak bepalender dan het landelijke gemiddelde. In een gemeente waar weinig geschikte woningen beschikbaar komen, kan een beperkt aantal toewijzingen al merkbaar zijn. In een andere gemeente kunnen meer woningen vrijkomen en kan de druk op bepaalde woningtypen anders zijn verdeeld.
De regionale cijfers laten daarmee zien waarom discussies over sociale huur niet overal hetzelfde verlopen. De hoeveelheid beschikbare woningen en het aantal mensen dat huisvesting zoekt, verschillen van plaats tot plaats.
Gemeenten moeten woningen blijven vinden
Gemeenten hebben de wettelijke taak om statushouders woonruimte te bieden. De Rijksoverheid bepaalt ieder halfjaar hoeveel mensen met een verblijfsvergunning een gemeente moet huisvesten. Die taakstelling hangt onder meer samen met het inwonertal.
Gemeenten mogen zelf bepalen hoe zij aan die verplichting voldoen. Dat kan via reguliere sociale huurwoningen, maar ook met tijdelijke huisvesting of andere woonvormen. Statushouders hebben sinds 2017 niet meer automatisch voorrang op een sociale huurwoning. Een gemeente kan die voorrang wel lokaal regelen.
Het kabinet werkt ondertussen aan veranderingen in de huisvesting. In maart 2026 werd aangekondigd dat er meer alternatieve woonruimte moet komen, onder meer door flexwoningen te bouwen en woningdelen te stimuleren. Het kabinet wil pas wettelijk uitsluiten dat statushouders voorrang kunnen krijgen op sociale huurwoningen wanneer voldoende alternatieve huisvesting beschikbaar is. Het eerdere voorstel om die voorrang direct te verbieden, is ingetrokken.
Daarmee blijft het voor gemeenten voorlopig zoeken naar een evenwicht tussen verschillende groepen woningzoekenden. Naast statushouders hebben zij te maken met starters, mensen die na een scheiding woonruimte zoeken, huishoudens met medische urgentie en bewoners die vanuit zorginstellingen zelfstandig gaan wonen.
De nieuwe CBS-cijfers laten zien hoe die opgave in de praktijk uitwerkt, maar beantwoorden niet de vraag hoe gemeenten hun beschikbare woningen het beste zouden moeten verdelen. Daarvoor spelen ook lokale omstandigheden, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van alternatieven een rol.
In één op de veertig corporatiewoningen woont een statushouder
Het CBS heeft ten slotte gekeken naar de totale voorraad corporatiewoningen. Eind 2024 waren dat er ongeveer 2,2 miljoen. In ruim 48.000 woningen, oftewel 2,4 procent, woonde op dat moment een huishouden met minstens één statushouder. Een jaar eerder was dat 2,2 procent.
Bij deze cijfers is de definitie opnieuw belangrijk. Mensen die inmiddels de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, worden door het CBS niet langer als statushouder aangemerkt.
Wanneer ook voormalige statushouders worden meegeteld die sinds 1999 naar Nederland kwamen en inmiddels zijn genaturaliseerd, gaat het om bijna 177.000 corporatiewoningen. Dat is 8,1 procent van de totale voorraad.
Het verschil tussen 2,4 en 8,1 procent laat zien hoeveel invloed de gekozen definitie heeft op de uitkomst. Wie uitsluitend naar huidige statushouders kijkt, krijgt een ander beeld dan wanneer ook mensen worden meegenomen die jaren geleden een verblijfsvergunning kregen en inmiddels Nederlander zijn.
De cijfers over 2024 zijn de meest recente definitieve gegevens van het CBS. Ze maken duidelijk dat statushouders een groter aandeel vormen van de huishoudens die voor het eerst een corporatiewoning betrekken, terwijl hun aandeel in alle jaarlijkse toewijzingen het afgelopen jaar nauwelijks veranderde.
Voor de sociale huurmarkt blijft vooral de beschikbaarheid van woningen een groot vraagstuk. Zolang veel huishoudens op dezelfde beperkte voorraad zijn aangewezen, blijft de verdeling onderwerp van discussie. De CBS-cijfers helpen om die discussie concreter te voeren, mits duidelijk blijft over welke groep woningen en woningzoekenden het precies gaat.
Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), NOS, Rijksoverheid en Binnenlands Bestuur.
