Een nieuwe machine aanschaffen, het bedrijfspand aanpakken of investeren in uitbreiding. Bij veel Nederlandse ondernemingen zijn dergelijke plannen het afgelopen jaar op de lange baan geschoven. Bijna een kwart van de bedrijven heeft een voorgenomen investering uitgesteld, geschrapt of beide gedaan. Vooral in de vastgoedsector, horeca en industrie wordt vaker dan gemiddeld op de rem getrapt. Geldgebrek speelt een rol, maar ook onduidelijkheid over regelgeving en problemen met vergunningen houden ondernemers bezig.
Dat blijkt uit de Conjunctuurenquête Nederland van oktober, waarvan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) donderdag de resultaten heeft gepubliceerd. Aan het onderzoek werken ook de Kamer van Koophandel, het Economisch Instituut voor de Bouw, MKB-Nederland en VNO-NCW mee.
Van alle ondervraagde bedrijven heeft 14,1 procent in de afgelopen twaalf maanden uitsluitend investeringen uitgesteld. Nog eens 2,5 procent besloot van geplande investeringen af te zien, terwijl 7,6 procent zowel plannen uitstelde als andere plannen schrapte. Samen komt dat neer op ruim 24 procent.
Daar staat tegenover dat bijna twee derde van de bedrijven geen investeringen hoefde uit te stellen of te schrappen. Nog eens 10 procent had het afgelopen jaar helemaal geen investeringsplannen. De cijfers beschrijven dus geen algemene investeringsstop, maar wel een aanzienlijke groep ondernemers bij wie voorgenomen uitgaven niet volgens plan doorgingen.
Opvallend is dat de terughoudendheid samenvalt met een economie die nog altijd groeit. Vorige week meldde het CBS dat de Nederlandse economie in het derde kwartaal met 0,6 procent is gegroeid. Vooral de machine-industrie en export draaiden goed. De stemming onder ondernemers vertelt echter een minder gunstig verhaal. Het ondernemersvertrouwen blijft negatief, terwijl bijna de helft aangeeft tegen belemmeringen aan te lopen wanneer zij willen investeren.
Vastgoedsector stelt bijna helft investeringen uit of schrapt ze
Nergens worden zoveel plannen opgeschoven als in de verhuur en handel van onroerend goed. Bij 48,5 procent van de bedrijven in deze sector zijn investeringen uitgesteld, geschrapt of beide. Ruim een derde heeft uitsluitend plannen doorgeschoven naar een later moment.
Bijna driekwart van de vastgoedondernemers zegt bovendien belemmeringen te ervaren bij investeringen. Vooral de bestaande regelgeving, vergunningprocedures en infrastructuur worden genoemd. Meer dan de helft van de bedrijven in deze sector, 52,2 procent, ziet daarin een belemmering.
Voor een vastgoedonderneming kan het bijvoorbeeld gaan om onzekerheid over de mogelijkheden om een pand te verbouwen, een gebouw een andere bestemming te geven of een project uit te breiden. Zulke besluiten vergen vaak grote bedragen en kunnen moeilijk worden teruggedraaid. Wanneer de voorwaarden waaronder een project mag worden uitgevoerd onduidelijk zijn, kan uitstel aantrekkelijker worden dan direct beginnen.
Het CBS heeft niet onderzocht welke concrete projecten hierdoor zijn blijven liggen. Ook blijkt uit de cijfers niet hoeveel geld ermee gemoeid is. Wel valt op dat de vastgoedsector zowel bij het uitstellen van plannen als bij de ervaren belemmeringen ver boven het landelijke gemiddelde uitkomt.
In de horeca is het beeld eveneens weinig rooskleurig. Bij bijna 37 procent van de ondernemers gingen investeringsplannen niet door zoals oorspronkelijk bedoeld. Ruim een kwart noemt financiële beperkingen als obstakel. Daarbij heeft 17,6 procent van de horecabedrijven helemaal geen investeringsplannen gehad in de afgelopen twaalf maanden.
Dat is een opvallend hoog aandeel. Voor horecaondernemers kunnen uitgaven aan een verbouwing, nieuwe keukenapparatuur of uitbreiding flink in de papieren lopen. Of zulke investeringen haalbaar zijn, hangt onder meer af van de beschikbare financiële ruimte en het vooruitzicht op voldoende omzet.
Ook de industrie springt eruit. Daar stelde een derde van de ondernemers investeringen uit of zag ervan af. Dat is opmerkelijk, omdat juist de industrie de afgelopen maanden een grote bijdrage leverde aan de economische groei. Binnen de sector bestaan echter aanzienlijke verschillen tussen bedrijven die internationaal veel orders ontvangen en ondernemingen die met hogere kosten of een onzekere afzet te maken hebben.
Bij industriële bedrijven speelt daarnaast onzekerheid over toekomstig beleid. Ruim 20 procent noemt dat als belemmering. Nog eens 22 procent wijst op financiële beperkingen. Bedrijven kunnen daardoor wel plannen hebben om hun productie te vernieuwen of uit te breiden, maar tegelijkertijd onvoldoende zekerheid ervaren om die uitgaven daadwerkelijk te doen.
Niet alleen de kosten houden ondernemers tegen
Geld is landelijk gezien de meest genoemde belemmering bij investeringen. Bijna 17 procent van de bedrijven loopt tegen financiële beperkingen aan. Dat kan betekenen dat er onvoldoende eigen middelen beschikbaar zijn of dat een voorgenomen investering financieel moeilijk rond te krijgen is.
Onzekerheid over toekomstig economisch beleid of regelgeving volgt met 13,7 procent. Daarnaast noemt ruim 11 procent de huidige regelgeving, vergunningen of infrastructuur. Een tekort aan personeel of gespecialiseerde kennis speelt bij ongeveer een op de tien bedrijven, terwijl 8 procent onvoldoende vraag of onzekere afzetvooruitzichten als obstakel ziet.
Ondernemers konden maximaal twee belemmeringen aangeven. De percentages mogen daarom niet bij elkaar worden opgeteld alsof iedere onderneming maar één probleem kent. Bovendien zijn de belemmeringen afzonderlijk uitgevraagd. Het onderzoek bewijst niet dat iedere ondernemer die een investering heeft uitgesteld, dat vanwege de meest genoemde hindernis in zijn sector heeft gedaan.
Vooral de verschillen tussen bedrijfstakken zijn interessant. In de landbouw, bosbouw en visserij maakt bijna 29 procent van de ondernemers zich zorgen over toekomstig economisch beleid of regelgeving. Dat is meer dan twee keer het landelijke gemiddelde. Ook bestaande regels, vergunningen en infrastructuur worden in deze sector relatief vaak genoemd.
Bij cultuur, sport en recreatie spelen financiële beperkingen juist een grote rol. Meer dan 30 procent van de bedrijven noemt die als belemmering. In de horeca is dat ruim 25 procent.
De bouw wijkt daar enigszins van af. Slechts 6,2 procent van de bouwbedrijven noemt financiële beperkingen bij investeringen. Onzekerheid over toekomstige regelgeving wordt met 16,1 procent aanzienlijk vaker aangegeven. Tegelijk heeft de sector relatief weinig investeringen daadwerkelijk uitgesteld of geschrapt: ongeveer 18,5 procent.
Het onderzoek maakt daarmee duidelijk dat terughoudendheid niet altijd dezelfde achtergrond heeft. Bij het ene bedrijf gaat het vooral om de financiering, bij het andere om de onzekerheid of een investering binnen de geldende regels uitvoerbaar is. Ook kan een onderneming voldoende geld hebben, maar niet beschikken over de medewerkers die nodig zijn om een uitbreiding of vernieuwing uit te voeren.
Dat laatste sluit aan bij de bredere conjunctuurcijfers. Het tekort aan arbeidskrachten blijft voor 32 procent van de Nederlandse bedrijven de belangrijkste belemmering in de dagelijkse bedrijfsvoering. Een kwartaal eerder was dat 33 procent. Ondanks de iets minder krappe arbeidsmarkt ondervinden veel werkgevers dus nog altijd problemen bij het vinden van personeel.
Technologie blijft bovenaan de investeringsagenda
De terughoudendheid betekent niet dat bedrijven hun plannen om te vernieuwen massaal laten varen. Integendeel, technologie is verreweg het belangrijkste gebied waarin ondernemers investeren om hun bedrijf toekomstbestendig te houden.
Volgens het CBS noemt 46,5 procent van de ondernemingen digitalisering, automatisering of andere technologische toepassingen als voornaamste investeringsgebied. Daarmee staat technologie ruim boven investeringen in personeel, duurzaamheid en productontwikkeling.
Vooral in de informatie- en communicatiesector is die belangstelling groot. Bijna 65 procent van de bedrijven noemt technologie als belangrijkste investering voor de toekomst. In de groothandel ligt dat aandeel rond de 60 procent en bij zakelijke dienstverleners boven de 53 procent.
Voor deze ondernemingen kan digitalisering een manier zijn om werkzaamheden sneller uit te voeren, gegevens beter te verwerken of minder afhankelijk te worden van handmatige processen. Denk aan software voor voorraadbeheer, automatische verwerking van administratieve gegevens of systemen waarmee klanten zelfstandig bestellingen kunnen plaatsen.
Wat een bedrijf precies onder technologische investeringen verstaat, verschilt sterk. De enquête maakt geen afzonderlijk onderscheid tussen bijvoorbeeld kunstmatige intelligentie, nieuwe software en andere vormen van automatisering. De cijfers geven dus aan hoe belangrijk technologie voor ondernemers is, maar niet hoeveel bedrijven specifiek in AI investeren.
In andere sectoren ligt de nadruk ergens anders. Bij autohandelaren en reparatiebedrijven staat het personeel relatief vaak voorop. Ruim 37 procent noemt opleidingen en cursussen als belangrijkste investeringsgebied. Ook in de bouw krijgt personeel veel aandacht: daar kiest ruim 28 procent voor scholing en ontwikkeling.
Dat past bij sectoren waarin vakkennis een belangrijke rol speelt. Nieuwe technieken, veranderende voertuigen of andere bouwmethoden vragen om medewerkers die met de nieuwste ontwikkelingen kunnen werken. Investeren in opleiding kan voor een bedrijf daardoor minstens zo belangrijk zijn als de aanschaf van nieuwe apparatuur.
De industrie richt zich daarnaast sterk op productontwikkeling. Bij ruim een kwart van de industriële ondernemingen staat productinnovatie of onderzoek en ontwikkeling bovenaan. Dat is aanzienlijk meer dan het gemiddelde van alle bedrijfstakken.
Duurzaamheid speelt vooral een rol in sectoren waar energiegebruik, gebouwen en transport een groot onderdeel van de bedrijfsvoering vormen. In de vastgoedsector noemt bijna 35 procent verduurzaming als belangrijkste investeringsgebied. Bij vervoer en opslag ligt dat aandeel rond de 25 procent.
De horeca valt opnieuw op, ditmaal doordat 31 procent van de bedrijven aangeeft niet te investeren met het specifieke doel toekomstbestendig te blijven. Dat betekent niet noodzakelijk dat zij helemaal geen uitgaven doen. Wel is het aandeel zonder zulke toekomstgerichte investeringen veel groter dan in de meeste andere sectoren.
Ondernemers kijken voorzichtig naar 2027
De investeringsplannen worden gemaakt tegen een achtergrond van aanhoudende onzekerheid. Het ondernemersvertrouwen staat aan het begin van het vierde kwartaal op min 5,3, precies hetzelfde niveau als drie maanden eerder. Een positieve omslag is dus uitgebleven.
Dat is nog altijd aanzienlijk beter dan in april, toen het vertrouwen terugviel naar min 14,8. Sindsdien is de stemming hersteld, maar de zorgen zijn niet verdwenen. Vooral in de landbouw zijn ondernemers negatief. In de informatie- en communicatiesector en de industrie is het vertrouwen daarentegen gematigd positief.
Bij de dagelijkse bedrijfsvoering noemen ondernemingen naast personeelstekorten ook onvoldoende vraag als probleem. Voor 19 procent is dat de belangrijkste belemmering. Verder wijzen ondernemers op wet- en regelgeving, geopolitieke onzekerheid en hoge energiekosten.
Toch verwachten meer bedrijven in 2027 hun investeringen te verhogen dan te verlagen. Het verschil tussen beide groepen bedraagt per saldo 5,2 procentpunt. Een jaar geleden was dat saldo nog 3,6 procentpunt.
Vooral in de vastgoedsector zijn de verwachtingen voor volgend jaar positief. Opvallend genoeg is dat juist de bedrijfstak waarin de afgelopen twaalf maanden de meeste investeringsplannen zijn blijven liggen. Dat zou erop kunnen wijzen dat ondernemers verwachten alsnog ruimte te krijgen voor nieuwe projecten, al blijkt uit de enquête niet of het daadwerkelijk om eerder uitgestelde investeringen gaat.
Ook in de industrie en groothandel is de stemming over investeringen voor volgend jaar verbeterd. De horeca en landbouw blijven achter: daar verwachten per saldo meer ondernemers minder dan meer te gaan investeren.
Een voornemen is uiteraard nog geen daadwerkelijke uitgave. Bedrijven moeten de komende maanden opnieuw beoordelen of plannen financieel haalbaar zijn en of eventuele vergunningen, medewerkers en andere voorzieningen beschikbaar komen. Een onderneming kan optimistisch zijn over de omzet in 2027, maar toch voorzichtig blijven met het aangaan van grote verplichtingen.
De recente CBS-cijfers leggen daarmee een spanning bloot. Nederlandse bedrijven willen digitaliseren, nieuwe producten ontwikkelen en investeren in hun medewerkers, maar een aanzienlijk deel krijgt die plannen niet uitgevoerd op het moment dat het zou willen. Vooral in sectoren waar regelgeving, financiering of infrastructuur zwaar wegen, worden beslissingen vooruitgeschoven.
Hoeveel van de uitgestelde investeringen alsnog doorgaat, is nog onbekend. Het CBS heeft gekeken naar wat ondernemingen de afgelopen twaalf maanden hebben gedaan en hoe zij nu tegen de toekomst aankijken. De werkelijke investeringen in 2027 zullen moeten uitwijzen of de voorzichtig verbeterde verwachtingen ook leiden tot nieuwe opdrachten, uitbreidingen en modernisering bij Nederlandse bedrijven.
Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), 5 november 2026, Conjunctuurenquête Nederland, vierde kwartaal 2026, Kamer van Koophandel, Economisch Instituut voor de Bouw, MKB-Nederland en VNO-NCW.
