De prijsdalingen in de supermarkt zijn niet voldoende om de Nederlandse inflatie af te remmen. Energie en motorbrandstoffen zijn veel duurder dan een jaar geleden, terwijl de tarieven voor diensten eveneens blijven stijgen. Het gevolg is dat de inflatie in oktober is opgelopen naar 3,7 procent, tegen 3,4 procent in september. Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) woensdag op basis van een eerste raming.
Het is de vierde achtereenvolgende maand waarin de prijsstijging versnelt. In juni bedroeg de inflatie nog 2,9 procent. Sindsdien is het cijfer iedere maand verder opgelopen, ondanks het feit dat voedingsmiddelen gemiddeld iets goedkoper zijn geworden. De laatste keer dat de inflatie hoger lag dan nu, was in april vorig jaar.
Vooral de ontwikkelingen op de energiemarkt zijn zichtbaar in de cijfers. Energie en motorbrandstoffen waren in oktober samen 14,4 procent duurder dan een jaar eerder. In september ging het nog om 13,8 procent. Daarmee blijft deze productgroep een belangrijke bron van prijsdruk, al zijn de verschillen tussen afzonderlijke energieproducten op dit moment nog niet bekend.
Ook buiten de energiemarkt lopen de prijzen verder op. Industriële goederen werden gemiddeld 1,9 procent duurder, terwijl consumenten voor diensten 3,9 procent meer betaalden dan in oktober 2025. Bij voedingsmiddelen, dranken en tabak was juist sprake van een daling van 0,6 procent. Dat laatste klinkt gunstig, maar in september lagen de prijzen in deze categorie nog 1,2 procent onder het niveau van een jaar eerder. De daling is dus alweer een stuk kleiner geworden.
Hoge brandstofprijzen werken door bij huishoudens en bedrijven
Wie regelmatig tankt, heeft de stijgende prijzen al langer zien aankomen. In september was diesel gemiddeld 27,2 procent duurder dan een jaar daarvoor. Een liter kostte toen bijna 2,50 euro, terwijl automobilisten voor benzine gemiddeld ongeveer 2,45 euro betaalden. Vooral sinds het voorjaar zijn de brandstofprijzen flink gestegen.
De oorlog in het Midden-Oosten en de onzekerheid over de internationale olie- en gasvoorziening hebben de energiemarkt dit jaar sterk beïnvloed. Nederland is voor zijn brandstoffen en een belangrijk deel van de energievoorziening afhankelijk van internationale markten. Veranderingen in de olie- en gasprijzen kunnen daardoor betrekkelijk snel merkbaar worden.
Dat geldt niet alleen voor automobilisten. Ook transporteurs, bouwbedrijven en ondernemers die dagelijks met bedrijfswagens onderweg zijn, krijgen met hogere kosten te maken. Een stijging van enkele dubbeltjes per liter kan bij een groot wagenpark behoorlijk oplopen. Vooral bij bedrijven die voor langere tijd vaste tarieven hebben afgesproken, is het niet altijd mogelijk om de extra uitgaven direct aan opdrachtgevers door te berekenen.
Hoe zwaar die kosten wegen, verschilt per onderneming. Voor een transportbedrijf vormen brandstoffen een veel grotere kostenpost dan voor een administratiekantoor. Ook de mogelijkheden om prijzen aan te passen zijn niet overal gelijk. Sommige bedrijven werken met brandstoftoeslagen, andere moeten hogere kosten voorlopig zelf opvangen.
Bij huishoudens speelt vooral het type energiecontract een rol. Wie elektriciteit en gas tegen een vast tarief afneemt, merkt prijsveranderingen op de markt doorgaans minder snel. Bij variabele of dynamische contracten kunnen die eerder doorwerken. Met het stookseizoen voor de deur krijgen de energiekosten bovendien weer meer gewicht in de maandelijkse uitgaven.
Het CBS maakt in de snelle raming nog geen onderscheid tussen de ontwikkeling van afzonderlijke brandstoffen en andere energieproducten. De gedetailleerde cijfers volgen op 10 november. Pas dan wordt duidelijk hoe groot de bijdrage van bijvoorbeeld benzine, diesel, gas en elektriciteit aan de inflatie in oktober precies is geweest.
Goedkopere boodschappen bieden minder tegenwicht
Bij voedingsmiddelen is het beeld opvallend anders. Terwijl vrijwel alle grote productgroepen op jaarbasis duurder zijn geworden, liggen de prijzen van voedingsmiddelen, dranken en tabak nog iets lager dan vorig jaar.
De daling van 0,6 procent is wel kleiner dan die van september. Toen was deze productgroep gemiddeld 1,2 procent goedkoper dan een jaar eerder. Daarmee neemt het dempende effect van de lagere prijzen af, juist nu energie en andere goederen meer kosten.
De cijfers betekenen niet dat alle boodschappen goedkoper zijn geworden. Het CBS berekent een gemiddelde over een uitgebreide verzameling producten. Sommige artikelen kunnen in prijs dalen, terwijl andere juist duurder worden. Bovendien is de inhoud van het winkelmandje niet voor ieder huishouden hetzelfde.
Daarbij speelt mee dat de prijzen van veel levensmiddelen in voorgaande jaren al fors zijn gestegen. Een product dat nu iets goedkoper is dan in oktober 2025, hoeft daarmee nog niet terug te zijn op het prijsniveau van enkele jaren geleden. Wie de eigen boodschappenrekening vergelijkt met die van voor de grote inflatiegolf, kan nog altijd een aanzienlijk verschil zien.
In september waren voedingsmiddelen afzonderlijk zelfs 1,7 procent goedkoper dan een jaar eerder. Daarmee leverden zij toen een duidelijke bijdrage aan het afremmen van de algemene inflatie. Of die ontwikkeling in oktober bij afzonderlijke producten is doorgezet, blijkt pas uit de volledige cijfers van volgende week.
Voedselproducenten en supermarkten hebben ondertussen zelf ook met de hogere energiekosten te maken. Productie, koeling, opslag en transport kosten geld, terwijl leveranciers vaak voor langere perioden prijsafspraken maken. Wanneer energie duur blijft, kan dat uiteindelijk gevolgen hebben voor nieuwe contracten en consumentenprijzen. Hoe groot dat effect wordt, is uit de voorlopige inflatiecijfers nog niet af te leiden.
Ook dienstverlening blijft duurder worden
De inflatie wordt niet uitsluitend bepaald door goederen die consumenten kopen. Een aanzienlijk deel van hun uitgaven gaat naar diensten, van onderhoud en reparaties tot persoonlijke verzorging en andere betaalde werkzaamheden. Ook daar blijven de prijzen stijgen.
In oktober lagen de tarieven voor diensten gemiddeld 3,9 procent boven het niveau van een jaar eerder. Dat is evenveel als in september. De stijging is daarmee minder grillig dan die bij energie, maar houdt wel aan.
Bij veel dienstverlenende bedrijven bestaat een groot deel van de kosten uit personeel. Hogere lonen kunnen dan aanleiding zijn om tarieven aan te passen. Ondernemers hebben daarnaast te maken met kosten voor huisvesting, verzekeringen, apparatuur en energie. Niet al die uitgaven ontwikkelen zich op dezelfde manier, waardoor ook de prijsstijgingen per bedrijfstak uiteenlopen.
Voor consumenten kan dat betekenen dat niet alleen hun vaste lasten stijgen, maar ook werkzaamheden waarvoor zij af en toe iemand inschakelen duurder worden. Een reparatie, onderhoudsbeurt of andere dienstverlening kan daardoor meer kosten dan vorig jaar.
Bedrijven merken de inflatie bovendien aan twee kanten. Zij betalen zelf meer voor bepaalde goederen en diensten, terwijl klanten mogelijk kritischer worden op hun uitgaven. Wie een grote aankoop kan uitstellen of een goedkopere aanbieder kan vinden, heeft meer mogelijkheden om op hogere prijzen te reageren dan iemand die voor vervoer of verwarming weinig alternatieven heeft.
Bij industriële goederen, waarbij energie en motorbrandstoffen buiten beschouwing blijven, liep de jaarlijkse prijsstijging op van 1,5 naar 1,9 procent. Het gaat om een brede groep consumentenproducten, waardoor uit dit percentage nog niet blijkt welke afzonderlijke artikelen verantwoordelijk zijn voor de versnelling.
Ook de uitgaven van Nederlanders in het buitenland vallen op. Die waren in oktober gemiddeld 8,6 procent hoger geprijsd dan een jaar eerder, tegenover 7,7 procent in september. Uitgaven tijdens vakanties en andere verblijven buiten Nederland tellen mee in de nationale consumentenprijsindex.
Samen verklaren deze ontwikkelingen waarom de lagere prijzen bij voedingsmiddelen onvoldoende zijn om de algemene inflatie terug te dringen. De stijging bij energie is fors, maar ook diensten en andere goederen leveren een bijdrage.
Inflatie versnelt terwijl de economie blijft groeien
De hogere inflatie valt samen met een periode waarin de Nederlandse economie beter presteert dan eerder werd verwacht. Vorige week meldde het CBS dat de economie in het derde kwartaal met 0,6 procent groeide. De industrie en export leverden daar een belangrijke bijdrage aan, maar ook huishoudens bleven meer uitgeven.
De consumentenbestedingen namen tussen juli en september met 0,4 procent toe. Nederlanders kochten onder meer meer voedingsmiddelen en kleding. Dat gebeurde ondanks het lage consumentenvertrouwen en de zorgen over de kosten van levensonderhoud.
Een verklaring is dat de lonen de afgelopen jaren eveneens zijn gestegen. Bij veel werknemers heeft dat geholpen om eerdere prijsstijgingen op te vangen. Of huishoudens er daadwerkelijk in koopkracht op vooruitgaan, hangt echter af van meer dan alleen hun salaris. Belastingen, toeslagen, woonlasten en de samenstelling van hun uitgaven spelen daarbij eveneens een rol.
Met een inflatie van 3,7 procent wordt het opnieuw belangrijk hoeveel de inkomens dit jaar stijgen. Wanneer prijzen sneller oplopen dan het beschikbare inkomen, kunnen huishoudens minder kopen. Wie daarentegen een grotere inkomensstijging heeft, kan ondanks de inflatie juist meer financiële ruimte krijgen.
Voor ondernemers geldt een vergelijkbare afweging. De economie groeit, maar de voordelen daarvan zijn niet gelijk over alle sectoren verdeeld. Machinefabrikanten profiteren momenteel sterk van internationale investeringen in technologie. Bedrijven die veel energie of brandstof gebruiken, kunnen ondertussen juist met oplopende kosten worden geconfronteerd.
Daarom zegt een gunstig economisch groeicijfer niet alles over de financiële situatie van afzonderlijke bedrijven. De hoogte van de energierekening, de personeelskosten en de ruimte om verkoopprijzen aan te passen, blijven voor veel ondernemers bepalend.
Definitieve cijfers volgen op 10 november
Het CBS heeft ook gekeken naar de prijsontwikkeling ten opzichte van de voorgaande maand. In oktober waren goederen en diensten gemiddeld 0,7 procent duurder dan in september. Dat is iets meer dan gebruikelijk: over de afgelopen tien jaar stegen de prijzen in oktober gemiddeld met 0,5 procent ten opzichte van september.
Zo’n maandvergelijking is wel gevoelig voor seizoenseffecten. Kleding wordt bijvoorbeeld tijdens uitverkoopperioden tijdelijk goedkoper en stijgt daarna weer in prijs. Daarom wordt de inflatie doorgaans gemeten door het prijsniveau te vergelijken met dezelfde maand van het voorgaande jaar.
Volgens de Europese meetmethode kwam de Nederlandse inflatie in oktober uit op 3,3 procent. In september was dat nog 3,0 procent. Het verschil met de nationale inflatie van 3,7 procent ontstaat doordat beide indices niet precies dezelfde uitgaven omvatten en op onderdelen anders worden berekend.
De Europese cijfers worden gebruikt om de inflatie tussen landen te vergelijken en spelen ook een rol bij het rentebeleid van de Europese Centrale Bank. De ECB richt zich op een inflatie van 2 procent op middellange termijn voor het eurogebied als geheel.
Voor Nederland komt eerst de publicatie van de definitieve oktobergegevens. Op dinsdag 10 november maakt het CBS bekend hoe de prijzen van afzonderlijke producten en diensten zich hebben ontwikkeld. Dan wordt ook duidelijk welke onderdelen het zwaarst hebben bijgedragen aan de stijging van 3,4 naar 3,7 procent.
Voorlopig wijzen de cijfers op aanhoudende prijsdruk. Energie en brandstoffen blijven fors duurder dan vorig jaar, de daling bij voedingsmiddelen neemt af en de tarieven voor diensten blijven stijgen. Daarmee is de inflatie voor de vierde maand op rij verder opgelopen, terwijl de winterperiode nog moet beginnen.
Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), snelle raming oktober 2026, CBS, inflatie september 2026 en CBS Dashboard Consumentenprijzen.
