De Nederlandse economie blijft beter overeind dan je op basis van de internationale onrust zou verwachten. Toch krijgen huishoudens volgend jaar waarschijnlijk minder te besteden. Volgens nieuwe ramingen van het Centraal Planbureau daalt de koopkracht in 2027 met 0,3 procent als het beleid niet verandert.
Dit jaar is er nog wel sprake van koopkrachtgroei, maar ook die valt lager uit dan eerder werd verwacht. Waar het CPB eerder rekende op een stijging van 1,4 procent, blijft daar nu 0,6 procent van over. Hogere energieprijzen, prijsstijgingen en lastenverzwaringen drukken op het inkomen van huishoudens.
Tegelijkertijd blijft de economie groeien. Voor 2027 verwacht het CPB een economische groei van 1,2 procent. Dat is geen uitbundige groei, maar wel opvallend in een periode met oorlog in Iran, hogere energieprijzen, handelsrisico’s en onrust op financiële markten.
CPB-directeur Pieter Hasekamp vat het bij de NOS zo samen: “Over de hele linie valt het mee. De Nederlandse economie is veerkrachtig.”
Koopkracht stijgt dit jaar minder dan verwacht
Voor veel huishoudens is vooral de koopkracht belangrijk. Die geeft aan hoeveel mensen met hun inkomen kunnen kopen, na correctie voor prijsstijgingen, belastingen en veranderingen in toeslagen.
In 2026 gaan huishoudens er gemiddeld nog iets op vooruit, maar minder dan eerder gedacht. De hoge energieprijzen spelen daarbij een grote rol. Door de oorlog in Iran en onzekerheid op de energiemarkt is het leven duurder geworden. Vooral energie en brandstof werken snel door in de portemonnee.
Dat effect wordt deels opgevangen door hogere lonen. Volgens Hasekamp dempt loongroei de pijn van de prijsstijgingen. Maar die compensatie is niet volledig. Het resultaat is dat de koopkrachtgroei dit jaar duidelijk lager uitvalt dan eerder geraamd.
Voor 2027 draait het beeld zelfs naar een kleine daling. De lonen stijgen dan opnieuw, maar niet genoeg om de hogere prijzen en lasten volledig te compenseren.
Hogere lasten drukken op het nettoloon
De koopkrachtdaling in 2027 komt niet alleen door inflatie. Ook beleid speelt mee. Het kabinet wil de inkomstenbelasting verhogen. Daarnaast blijft er minder nettoloon over doordat werkgevers meer premie moeten afdragen voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Dat soort lasten werkt indirect door in wat huishoudens uiteindelijk overhouden. Op papier kan het brutoloon stijgen, maar als prijzen en belastingen tegelijk oplopen, blijft er netto minder ruimte over.
Dat maakt de koopkrachtontwikkeling voor veel mensen lastig te volgen. Een hoger salaris voelt niet automatisch als vooruitgang wanneer boodschappen, energie, verzekeringen, huur of hypotheeklasten tegelijk blijven stijgen.
Voor huishoudens met weinig financiële buffer kan een daling van 0,3 procent bovendien zwaarder voelen dan het gemiddelde suggereert. Wie al krap zit, merkt kleine verschillen sneller.
Economie blijft overeind door export en overheid
Dat de koopkracht onder druk staat, betekent niet dat de economie als geheel krimpt. Het CPB verwacht dat Nederland volgend jaar blijft groeien. Dat komt vooral door sterke export en overheidsuitgaven.
Nederland profiteert nog altijd van internationale vraag naar hoogwaardige producten. Vooral de machinebouw speelt daarin een belangrijke rol. Denk aan chipmachines en andere technologische producten die wereldwijd gevraagd blijven.
Die afhankelijkheid is tegelijk een risico. De export van bijvoorbeeld chipmachines wordt nu geholpen door grote investeringen in kunstmatige intelligentie. Als die investeringen terugvallen, kan dat Nederlandse bedrijven raken.
Ook de overheid houdt de economie op gang door geld uit te geven. Defensie, sociale zekerheid en andere publieke uitgaven zorgen voor activiteit. Maar die uitgaven hebben ook een keerzijde: het begrotingstekort loopt op en de ruimte voor extra maatregelen wordt kleiner.
Internationale onzekerheid blijft groot
Het CPB waarschuwt voor meerdere risico’s. Hogere energieprijzen blijven een belangrijke onzekerheid, zeker zolang de geopolitieke spanningen groot zijn. Ook invoerheffingen, handelsconflicten en onrust op financiële markten kunnen de economische vooruitzichten raken.
Voor een open economie als Nederland is dat extra belangrijk. Nederlandse bedrijven zijn sterk afhankelijk van export, internationale ketens en wereldhandel. Als de handel stokt of kosten oplopen, merkt Nederland dat snel.
Toch is de economie tot nu toe redelijk bestand tegen de schokken. De arbeidsmarkt blijft relatief sterk, huishoudens hebben gemiddeld nog koopkracht en bedrijven blijven produceren. Maar het beeld is kwetsbaar. Een nieuwe energieprijspiek of verslechtering van de wereldhandel kan de raming snel veranderen.
Armoede loopt volgend jaar weer iets op
Naast koopkracht kijkt het CPB ook naar armoede. Dit jaar daalt het aantal mensen onder de armoedegrens nog iets, mede door hogere uitkeringen en een ruimere huurtoeslag. Sinds 2024 is het aantal mensen in armoede met ruim 90.000 gedaald naar ongeveer 460.000.
Volgend jaar verwacht het CPB echter weer een stijging naar 470.000 mensen. Dat komt vooral door prijsstijgingen. Opvallend is dat het aantal kinderen in armoede volgens de raming wel blijft dalen.
Het CPB adviseert om eventuele steun niet breed uit te smeren over alle huishoudens. Hulp moet vooral terechtkomen bij mensen die het meest geraakt worden door hoge energieprijzen.
Hasekamp wijst daarbij op huishoudens met een laag inkomen en een slecht geïsoleerde woning. “Als je in een slecht geïsoleerd huis woont met een relatief laag inkomen, dan ga je echt wel pijn voelen.”
Die groep heeft vaak weinig mogelijkheden om snel te besparen. Verduurzamen kost geld en verhuizen is niet altijd haalbaar. Daardoor kunnen hogere energieprijzen daar harder aankomen dan bij huishoudens met meer inkomen of een goed geïsoleerd huis.
Geen ruimte voor brede cadeaus
De overheidsfinanciën staan eveneens onder druk. Het begrotingstekort komt dit jaar uit op 2,8 procent. Dat heeft onder meer te maken met eenmalige uitgaven aan defensiepensioenen, hogere defensie-uitgaven, sociale zekerheid en meer rentelasten.
Voor 2027 verwacht het CPB een tekort van 2,1 procent. Dat is lager dan dit jaar, maar betekent nog steeds dat de overheid meer uitgeeft dan er binnenkomt.
Daarom waarschuwt het planbureau dat het kabinet voorzichtig moet zijn met nieuwe uitgaven of brede lastenverlichting. Extra geld voor één groep betekent dat ergens anders ruimte moet worden gevonden.
Dat maakt de komende begrotingsonderhandelingen gevoelig. Politieke partijen zullen willen reageren op koopkrachtverlies, hogere energieprijzen en armoede. Tegelijk is er weinig ruimte om iedereen volledig te compenseren.
Koopkrachtplaatjes zeggen niet alles
De koopkrachtcijfers van het CPB gaan over gemiddelden en doorsnee huishoudens. In de praktijk kan de situatie per huishouden sterk verschillen. Iemand met hoge energiekosten, een huurverhoging of zorguitgaven kan veel meer druk ervaren dan iemand met een laag energieverbruik en een vast inkomen.
Ook toeslagen, gezinssamenstelling, woonlasten en persoonlijke uitgaven maken verschil. Een alleenstaande huurder heeft een ander uitgavenpatroon dan een gezin met kinderen of een gepensioneerd stel met een afbetaalde woning.
Daarom kan een gemiddelde daling van 0,3 procent voor de een nauwelijks merkbaar zijn, terwijl een ander huishouden echt moet schuiven met uitgaven. Vooral energie, huur, boodschappen en zorg bepalen hoe de koopkracht in het dagelijks leven wordt gevoeld.
De nieuwe raming laat vooral zien dat de economische basis nog sterk genoeg is, maar dat huishoudens niet automatisch meeprofiteren. Nederland blijft groeien, terwijl een deel van de mensen volgend jaar juist minder financiële ruimte krijgt.
Bronnen: NOS en Centraal Planbureau.