donderdag, oktober 1, 2026
18.3 C
Groningen

Cao-lonen stijgen verder, maar tempo van loonstijging neemt af

De cao-lonen in Nederland zijn in het derde kwartaal van 2026 opnieuw gestegen. Werknemers die onder een cao vallen, kregen gemiddeld 4,0 procent meer loon per uur dan een jaar eerder. Dat is nog altijd een stevige stijging, maar het tempo loopt wel verder terug.

Een jaar eerder stegen de cao-lonen nog met 4,6 procent. In het derde kwartaal van 2024 lag de stijging zelfs op 6,8 procent. Sinds die piek neemt de cao-loonontwikkeling stap voor stap af.

Dat betekent niet dat de loongroei voorbij is. Werknemers gaan er op papier nog steeds op vooruit. Maar het verschil met de uitzonderlijk hoge loonrondes van 2023 en 2024 wordt kleiner. De periode waarin lonen met ruim 6 procent stegen, lijkt daarmee achter ons te liggen.

Lonen stijgen nog, maar minder hard

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek lagen de cao-lonen inclusief bijzondere beloningen in het derde kwartaal 4,0 procent hoger dan in hetzelfde kwartaal vorig jaar.

Daarmee blijven de lonen duidelijk stijgen. Voor veel werknemers is dat belangrijk, omdat de prijzen de afgelopen jaren sterk zijn opgelopen. Hogere lonen helpen om koopkrachtverlies door inflatie deels goed te maken.

Toch is de richting veranderd. In 2023 en 2024 waren de cao-loonstijgingen uitzonderlijk hoog. Dat kwam mede doordat vakbonden en werknemers compensatie vroegen voor de sterke prijsstijgingen in de jaren daarvoor. Werkgevers kregen te maken met stevige looneisen, zeker in sectoren waar personeel schaars was.

Nu de inflatie minder extreem is dan tijdens de piek van de energiecrisis, vlakken de cao-stijgingen af. De lonen groeien nog, maar de inhaalslag wordt kleiner.

Reële loonstijging blijft positief

Belangrijker dan de loonstijging op papier is wat er overblijft na inflatie. Daarvoor kijkt het CBS naar de reële cao-loonontwikkeling. Die kwam in het derde kwartaal voorlopig uit op 0,8 procent.

Dat betekent dat cao-lonen gemiddeld iets harder stegen dan de prijzen. Werknemers gingen er dus in koopkracht op vooruit, maar minder sterk dan in eerdere kwartalen.

In het eerste kwartaal van 2026 lag de reële cao-loonstijging nog op 2,0 procent. In het tweede kwartaal was dat 1,2 procent. In het derde kwartaal is daar voorlopig 0,8 procent van over.

Die daling is belangrijk. Werknemers krijgen nog steeds meer loon, maar de extra ruimte bovenop inflatie wordt kleiner. Zeker voor huishoudens met hoge vaste lasten kan dat verschil in de praktijk beperkt voelen.

Inflatie bepaalt wat werknemers merken

Een loonsverhoging van 4 procent klinkt fors. Maar de vraag is altijd hoeveel de prijzen tegelijk stijgen. Als boodschappen, energie, zorgpremies, huur en verzekeringen duurder worden, verdwijnt een deel van het loonvoordeel direct weer.

Daarom kan een cao-loonstijging positief zijn, terwijl huishoudens toch weinig lucht ervaren. Het officiële loon groeit, maar vaste lasten bepalen hoeveel financiële ruimte er echt overblijft.

Dat verklaart ook waarom koopkracht een gevoelig onderwerp blijft. Veel werknemers hebben in de afgelopen jaren loonstijgingen gekregen, maar prijzen liggen nog steeds veel hoger dan voor de inflatiegolf. Een deel van de loonontwikkeling voelt daardoor als herstel in plaats van vooruitgang.

De positieve reële loonontwikkeling laat wel zien dat de lonen gemiddeld niet meer achterblijven bij de prijzen. Dat was in 2022 en een groot deel van 2023 anders. Toen daalden de reële lonen juist hard.

Sectoren liggen dichter bij elkaar

Opvallend is dat de verschillen tussen de drie hoofdsectoren kleiner zijn geworden. Bij particuliere bedrijven stegen de cao-lonen in het derde kwartaal met 4,1 procent. Bij gesubsidieerde instellingen ging het om 4,0 procent en bij de overheid om 3,9 procent.

Een jaar eerder waren de verschillen groter. Toen stegen de lonen bij particuliere bedrijven met 4,8 procent, bij gesubsidieerde instellingen met 5,1 procent en bij de overheid met 3,1 procent.

De overheid loopt dit kwartaal dus dichter tegen het gemiddelde aan dan vorig jaar. Particuliere bedrijven en gesubsidieerde instellingen laten juist een lagere stijging zien dan toen.

Voor werknemers maakt de sector daardoor minder verschil dan eerder. De cao-loongroei is breder gelijkgetrokken, al blijven er per bedrijfstak nog duidelijke verschillen bestaan.

Bouw en specialistische diensten bovenaan

De sterkste cao-loonstijgingen zijn te zien in de bouwnijverheid en de specialistische zakelijke diensten. In beide bedrijfstakken gingen de cao-lonen met 5,0 procent omhoog.

Voor de bouw is dat opvallend, omdat de loonstijging daar vorig jaar nog onder het gemiddelde lag. De sector heeft te maken met grote vraag naar vakmensen, woningbouwopgaven, renovatie, verduurzaming en onderhoud. Tegelijk spelen hoge kosten, vergunningen en personeelstekorten. In zo’n omgeving blijft loon een belangrijk middel om mensen vast te houden.

Ook specialistische zakelijke diensten zitten hoog. Daaronder vallen onder meer advies, juridische dienstverlening, accountancy, architecten en andere kennisintensieve diensten. In deze sector speelt schaarste aan goed opgeleid personeel een grote rol.

De financiële dienstverlening volgt met een stijging van 4,9 procent. Ook dat ligt boven het gemiddelde.

Horeca en ICT onderaan

De laagste cao-loonstijging is te zien in de horeca. Daar stegen de cao-lonen met 2,9 procent. Ook informatie en communicatie zit relatief laag, met 3,1 procent.

Voor ICT is dat opvallend, omdat deze bedrijfstak een jaar eerder nog de sterkste loonontwikkeling kende. Toen stegen de cao-lonen in informatie en communicatie met 6,6 procent. Nu ligt de stijging duidelijk lager.

Dat laat zien dat loonontwikkeling per sector snel kan draaien. Een hoge stijging in het ene jaar betekent niet automatisch dat die lijn doorzet. Cao-afspraken hangen af van eerdere verhogingen, looptijd, inflatieverwachtingen, arbeidsmarktkrapte en de financiële situatie in de sector.

Voor de horeca ligt de situatie anders. De sector heeft vaak te maken met lagere marges, hoge personeelskosten, huur, energie en prijsgevoelige klanten. Een lagere cao-stijging kan voor werkgevers financieel begrijpelijk zijn, maar voor werknemers met lagere lonen kan het verschil met inflatie juist voelbaar blijven.

Cao-lonen zeggen niet alles over loonstrook

De CBS-cijfers gaan over cao-lonen per uur, inclusief bijzondere beloningen. Dat is een belangrijke maatstaf, maar niet hetzelfde als wat iedere werknemer op de loonstrook merkt.

Sommige werknemers krijgen extra periodieken, promotie, individuele afspraken, toeslagen of bonussen. Anderen werken meer of minder uren. Ook pensioenpremies, belastingen, reiskostenvergoedingen en inhoudingen kunnen het nettobedrag beïnvloeden.

Daarnaast valt niet iedereen onder een cao. Volgens het CBS valt ongeveer drie kwart van de werknemers onder een cao. Voor werknemers zonder cao kunnen loonontwikkelingen anders verlopen.

Toch geven de cijfers een goed beeld van de brede loonontwikkeling. Cao-afspraken werken namelijk door in grote delen van de arbeidsmarkt en zetten vaak de toon voor andere loononderhandelingen.

Voor werkgevers blijft loondruk aanwezig

Voor werkgevers betekent een cao-loonstijging van 4 procent dat personeelskosten blijven oplopen. Dat komt bovenop eerdere loonrondes, hogere premies, duurdere energie, huur, financiering en andere bedrijfskosten.

Voor bedrijven met sterke marges is dat beter op te vangen. Voor sectoren met veel personeel en lage marges kan het zwaarder wegen. Denk aan horeca, schoonmaak, zorg, detailhandel, vervoer en delen van de zakelijke dienstverlening.

Werkgevers kunnen proberen hogere loonkosten door te berekenen in prijzen. Maar dat lukt niet overal. Consumenten en zakelijke klanten blijven prijsgevoelig. Als bedrijven te veel verhogen, kunnen klanten afhaken of uitgaven uitstellen.

Daardoor blijft loonontwikkeling een spanningsveld. Werknemers willen hun koopkracht beschermen. Werkgevers willen voorkomen dat vaste kosten te hard blijven stijgen.

Vakbonden blijven inzetten op koopkracht

De loonontwikkeling komt op een moment waarop vakbonden opnieuw stevige eisen neerleggen voor nieuwe cao’s. FNV zette onlangs in op 5,5 procent loonsverhoging, automatische prijscompensatie en 80 euro extra per maand. CNV mikte eerder op 3 tot 5,5 procent.

De nieuwe CBS-cijfers laten zien waarom die discussie niet weg is. De cao-lonen stijgen nog, maar het tempo neemt af. Tegelijk is de inflatie nog niet terug naar een niveau waarbij huishoudens weinig druk voelen.

Voor vakbonden blijft koopkracht daarom het belangrijkste argument. Werknemers hebben in de afgelopen jaren veel prijsstijgingen verwerkt. Zij willen voorkomen dat de loonstijging opnieuw achterblijft bij vaste lasten.

Werkgevers zullen juist wijzen op de afkoelende loongroei, lagere inflatie dan tijdens de piek en de stapeling van kosten. De komende cao-rondes kunnen daardoor opnieuw stevig worden, maar waarschijnlijk minder extreem dan tijdens de hoogste inflatiejaren.

Minder ruimte voor brede inhaalslag

De hoge loonstijgingen van 2023 en 2024 hadden deels het karakter van een inhaalslag. Werknemers hadden koopkracht verloren door inflatie en eisten compensatie. In veel sectoren was de arbeidsmarkt zo krap dat werkgevers meegingen in stevige verhogingen.

Die situatie verandert langzaam. De arbeidsmarkt blijft krap, maar de spanning is minder extreem. Het aantal werkenden groeit niet meer vanzelf door, de werkloosheid loopt licht op en bedrijven kijken kritischer naar kosten.

Dat betekent dat de ruimte voor nieuwe grote loonrondes minder vanzelfsprekend wordt. Niet omdat werknemers geen hogere kosten meer hebben, maar omdat werkgevers en cao-partijen meer naar betaalbaarheid zullen kijken.

De loonstijging van 4,0 procent past bij die nieuwe fase: nog stevig, maar duidelijk minder uitzonderlijk dan de piek van de afgelopen jaren.

Hogere lonen helpen consumptie

Voor de economie hebben hogere lonen ook een positieve kant. Als werknemers meer verdienen, kunnen zij meer besteden. Dat ondersteunt winkels, horeca, dienstverlening en andere consumentgerichte sectoren.

De koopkrachtcijfers over 2025 lieten al zien dat werknemers er relatief sterk op vooruitgingen. Cao-loonstijgingen speelden daarin een belangrijke rol. Ook in 2026 dragen hogere lonen bij aan besteedbaar inkomen, zolang de inflatie niet harder oploopt.

Tegelijk kan loonstijging ook weer invloed hebben op prijzen. Als bedrijven hogere loonkosten doorberekenen, kan dat inflatie versterken. Dat risico verschilt per sector. In arbeidsintensieve sectoren is het effect groter dan in sectoren waar loonkosten een kleiner deel van de totale kosten zijn.

Daarom blijft de balans belangrijk. Lonen moeten voldoende stijgen om koopkracht te beschermen, maar niet zo hard dat bedrijven massaal prijzen moeten verhogen of investeringen uitstellen.

Reële plus wordt kleiner

De reële loonstijging van 0,8 procent is positief, maar bescheiden. Het betekent dat werknemers gemiddeld iets vooruitgaan na inflatiecorrectie. Maar het is geen grote sprong.

Voor huishoudens kan dat in de praktijk betekenen dat er iets meer ruimte is, maar niet genoeg om alle kostenstijgingen makkelijk op te vangen. Zeker zorgpremie, huur, energie, verzekeringen en boodschappen blijven bepalend.

Ook verschillen tussen huishoudens tellen mee. Een werknemer met een koopwoning en lage energielasten ervaart 4 procent loongroei anders dan iemand met hoge huur, hoge reiskosten of weinig buffer.

Daarom blijft het officiële reële loonbeeld een gemiddelde. Het zegt dat cao-lonen sneller stijgen dan prijzen, maar niet dat iedereen de druk kwijt is.

Loonstijging normaliseert langzaam

De nieuwste cijfers wijzen op normalisatie. De cao-lonen groeien nog steeds stevig, maar minder hard dan tijdens de uitzonderlijke jaren 2023 en 2024. De reële loonontwikkeling blijft positief, maar de extra marge boven inflatie wordt kleiner.

Voor werknemers betekent dit dat de koopkracht gemiddeld nog wat steun krijgt vanuit cao-afspraken. Voor werkgevers betekent het dat personeelskosten blijven stijgen, maar minder hard dan tijdens de piek. Voor de economie betekent het dat loonontwikkeling nog bijdraagt aan consumptie, maar ook druk kan blijven geven op kosten.

De komende kwartalen worden belangrijk. Als inflatie verder daalt en cao-lonen rond dit niveau blijven groeien, kan de koopkracht voorzichtig verbeteren. Als prijzen opnieuw aantrekken, wordt de loonruimte sneller opgeslokt.

Voor nu is het beeld helder: de cao-lonen stijgen nog, maar de periode van uitzonderlijk hoge loonstijgingen zwakt af. Werknemers houden gemiddeld iets meer over na inflatie, maar de financiële ruimte groeit minder snel dan eerder.

Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek en StatLine.

Recente publicaties

Economisch beeld minder negatief, maar herstel blijft voorzichtig

Het economische beeld in Nederland is in september minder...

Hitte kost Nederlandse economie miljarden en legt zwakke plekken bloot

De uitzonderlijke hitte van afgelopen zomer heeft de Nederlandse...

Stressverzuim groeit hard en zet werkgevers steeds meer onder druk

Werkgevers krijgen steeds vaker te maken met werknemers die...

WeldingSynergy helpt metaalbedrijven hun laswerk aantoonbaar op orde te krijgen en te houden

Goed laswerk is voor veel bedrijven letterlijk en figuurlijk...

Ondernemen in beweging: keuzes, risico’s en verduurzaming

Ondernemen betekent voortdurend keuzes maken. Over groei en personeel,...

Gerelateerde artikelen