Nederlanders hebben gemiddeld iets meer woonruimte gekregen. Op 1 januari 2026 bedroeg de woonoppervlakte per persoon 55 vierkante meter. Dat is ruim 2 vierkante meter meer dan tien jaar eerder. Op papier wonen we dus ruimer, maar achter dat gemiddelde zitten grote verschillen.
Vooral leeftijd, huishoudsamenstelling, woningtype en regio bepalen hoeveel ruimte iemand werkelijk heeft. Een alleenstaande oudere in een eengezinswoning heeft vaak veel meer vierkante meters tot zijn beschikking dan een jong gezin in een appartement of rijwoning. Ook de verschillen tussen Randstad en regio blijven groot.
De nieuwe CBS-cijfers laten daardoor vooral zien hoe ongelijk woonruimte verdeeld is. Nederland wordt gemiddeld iets ruimer bewoond, maar dat betekent niet dat iedereen meer lucht ervaart.
Gemiddeld 55 vierkante meter per persoon
De gemiddelde woonoppervlakte per inwoner nam tussen 2016 en 2026 toe met iets meer dan 2 vierkante meter. Dat lijkt geen grote sprong, maar op landelijke schaal is het wel een duidelijke beweging.
Die groei betekent niet automatisch dat woningen zelf overal veel groter zijn geworden. Het gaat om woonoppervlakte per persoon. Dat cijfer verandert ook wanneer huishoudens kleiner worden, kinderen uit huis gaan, mensen alleen komen te wonen of ouderen langer zelfstandig blijven wonen.
Daar zit meteen de nuance. Als iemand na een scheiding of het overlijden van een partner alleen in dezelfde woning blijft wonen, stijgt de woonruimte per persoon. De woning is niet groter geworden, maar wordt door minder mensen gedeeld.
Daarom zegt dit cijfer niet alleen iets over woningbouw, maar ook over hoe Nederland woont en leeft.
Noord-Drenthe springt eruit
Vrijwel overal in Nederland nam de gemiddelde woonoppervlakte per persoon toe. Alleen in Flevoland daalde de woonruimte licht, met een halve vierkante meter.
De grootste stijging was te zien in Noord-Drenthe. Daar kwam er gemiddeld 5 vierkante meter per persoon bij. In 2016 lag de woonoppervlakte per persoon daar op 61,7 vierkante meter. In 2026 was dat 66,7 vierkante meter.
Ook andere noordelijke en landelijke regio’s laten relatief ruime cijfers zien. In Delfzijl en omgeving ligt de gemiddelde woonoppervlakte op 69,5 vierkante meter, in Zuidwest-Friesland op 69,4 vierkante meter en in Noord-Limburg op 65,2 vierkante meter.
Dat past bij het bredere beeld. Buiten de Randstad wonen mensen gemiddeld ruimer. Woningen zijn vaker groter, kavels zijn ruimer en huishoudensdruk is minder hoog dan in de grote steden.
Groot-Amsterdam blijft het krapst
Aan de andere kant staat Groot-Amsterdam. Daar hadden inwoners in 2026 gemiddeld 43,5 vierkante meter woonruimte per persoon. Daarmee is dit het krapste COROP-gebied van Nederland.
Ook andere Randstadgebieden zitten lager dan het landelijke gemiddelde. In de Zaanstreek gaat het om 45,5 vierkante meter, in de agglomeratie ’s-Gravenhage om 46,9 vierkante meter en in Groot-Rijnmond om 47,1 vierkante meter.
Dat is niet verrassend. In stedelijke gebieden zijn woningen kleiner, appartementen gebruikelijker en huishoudens dichter op elkaar gevestigd. De druk op de woningmarkt is er hoog, waardoor woonruimte duur en schaars blijft.
Toch is het verschil groot. Tussen Groot-Amsterdam en Midden-Limburg zit meer dan 26 vierkante meter per persoon. Dat is bijna een extra kleine studio aan woonruimte.
Ouderen wonen het ruimst
Leeftijd speelt een grote rol. Mensen van 70 jaar en ouder hebben gemiddeld de meeste woonoppervlakte. In 2026 hadden zij 3 vierkante meter meer woonruimte dan tien jaar eerder.
Dat komt vooral doordat ouderen vaker alleen of met z’n tweeën in een woning blijven wonen waar eerder een gezin woonde. Kinderen zijn uit huis, de woning blijft dezelfde, maar het aantal bewoners neemt af.
Bij 70-plussers zijn de regionale verschillen opnieuw duidelijk. In Zuidoost-Friesland, Zuidoost-Drenthe en Zuid-Limburg hebben ouderen gemiddeld iets meer dan 92 vierkante meter woonruimte. In Groot-Amsterdam en de Zaanstreek wonen 70-plussers met ongeveer 70 vierkante meter per persoon het krapst.
Dat is nog altijd veel meer dan jonge gezinnen gemiddeld hebben. Maar in stedelijke gebieden is ook voor ouderen de ruimte beperkter.
Jongeren en gezinnen delen meer ruimte
Jonge mensen starten gemiddeld met relatief veel woonruimte, omdat veel 15- tot 20-jarigen nog thuis wonen. Zij delen een gezinswoning, maar worden in het cijfer wel meegenomen als inwoner met een deel van de woonoppervlakte.
Naarmate mensen ouder worden, gaan ze vaker samenwonen of krijgen kinderen. Dan wordt dezelfde woning door meer mensen gedeeld en daalt de woonoppervlakte per persoon.
Voor huishoudens met kinderen is dat duidelijk zichtbaar. Zij hebben gemiddeld 40 vierkante meter per persoon. Alleenstaanden hebben gemiddeld 87 vierkante meter. Stellen zonder kinderen zitten daar tussenin, met 65 vierkante meter per persoon.
Dat verschil verklaart waarom woonruimte niet altijd gelijk voelt verdeeld. Een gezin kan in een redelijk grote woning wonen en toch per persoon weinig ruimte hebben. Een alleenstaande kan in een kleinere woning wonen, maar per persoon juist ruim uitkomen.
Alleenstaanden hebben de meeste ruimte
Alleenstaanden hebben gemiddeld de meeste woonoppervlakte. Dat komt logisch genoeg doordat zij een woning niet delen met een partner of kinderen. Gemiddeld gaat het om 87 vierkante meter per persoon.
Bij oudere alleenstaanden loopt dat nog verder op. Alleenstaande mannen van 70 jaar en ouder hadden in 2026 gemiddeld 108,8 vierkante meter woonruimte. Alleenstaande vrouwen van 70 jaar en ouder hadden gemiddeld 105,3 vierkante meter.
Bij jongere alleenstaanden ligt dat lager. Alleenstaande mannen onder de 30 hadden gemiddeld 60,5 vierkante meter, alleenstaande vrouwen onder de 30 gemiddeld 57 vierkante meter.
Dat laat zien hoe sterk woonruimte samenhangt met levensfase. De meeste ruimte zit niet automatisch bij de mensen die het hardst zoeken naar een woning, maar vaak bij mensen die al lang ergens wonen.
Vrouwen wonen op latere leeftijd groter
Tot ongeveer 55 jaar wonen mannen gemiddeld iets ruimer dan vrouwen. Daarna draait dat beeld om. Vooral bij 70-plussers hebben vrouwen gemiddeld meer woonoppervlakte dan mannen.
Volgens het CBS hangt dat waarschijnlijk samen met levensverwachting. Mannen overlijden gemiddeld jonger, waardoor vrouwen op latere leeftijd vaker alleen achterblijven in een woning. Daardoor stijgt de woonoppervlakte per persoon.
Bij vrouwen van 90 tot 94 jaar ging het in 2026 om gemiddeld 96,5 vierkante meter. Bij mannen in dezelfde leeftijdsgroep was dat 85,6 vierkante meter.
Ook hier geldt: het cijfer zegt niet alleen iets over huizen, maar ook over huishoudens, gezondheid, leeftijd en levensloop.
Eengezinswoningen ruimer, appartementen krapper
Bewoners van eengezinswoningen hebben in 2026 meer ruimte dan tien jaar eerder. Bij meergezinswoningen, zoals flats en portiekwoningen, is het beeld anders. Daar nam de gemiddelde woonruimte per persoon juist af.
Dat is belangrijk voor de woningdiscussie. Nederland bouwt veel appartementen, zeker in stedelijke gebieden. Dat helpt om meer mensen te huisvesten op beperkte ruimte, maar betekent ook dat de woonruimte per persoon onder druk kan staan.
Voor starters, studenten, alleenstaanden en kleine huishoudens kan een appartement prima passen. Voor gezinnen of mensen die thuiswerken, zorgen of ouder worden, kan beperkte woonruimte sneller knellen.
De vraag is dus niet alleen hoeveel woningen Nederland bouwt, maar ook welke woningen. Woningtype, grootte en levensfase moeten beter op elkaar aansluiten.
Meer ruimte gemiddeld, maar woningmarkt blijft krap
Dat de gemiddelde woonoppervlakte per persoon stijgt, kan vreemd voelen in een tijd van woningnood. Veel starters vinden moeilijk een woning. Gezinnen zoeken doorstroomruimte. Ouderen willen soms kleiner wonen, maar vinden geen passend alternatief. Huurders zitten vast door hoge prijzen.
Toch kunnen beide dingen tegelijk waar zijn. Gemiddeld is er iets meer ruimte per persoon, terwijl de woningmarkt voor veel groepen krap blijft.
Dat komt doordat woonruimte niet altijd beschikbaar komt waar de vraag zit. Een ruime woning van een oudere alleenstaande in een dorp helpt een starter in Amsterdam niet direct. Een grote eengezinswoning is niet automatisch passend voor iemand die kleiner wil wonen, zolang er geen aantrekkelijk alternatief in dezelfde buurt is.
Het probleem zit dus niet alleen in het aantal vierkante meters, maar ook in verdeling, betaalbaarheid en doorstroming.
Doorstroming blijft belangrijk
De cijfers maken duidelijk waarom doorstroming op de woningmarkt zo vaak wordt genoemd. Veel ouderen wonen ruim, maar blijven daar vaak met goede redenen zitten. De woning is vertrouwd, de buurt is bekend en verhuizen kost geld, energie en onzekerheid.
Tegelijk hebben jonge gezinnen juist behoefte aan grotere woningen. Als ouderen die kleiner willen wonen geen passend appartement, hofje of gelijkvloerse woning kunnen vinden, blijven grotere woningen langer bezet.
Dat is geen verwijt aan ouderen. Het is vooral een teken dat de woningmarkt niet goed genoeg meebeweegt met levensfases. Mensen blijven vaak wonen waar ze zitten, omdat het alternatief ontbreekt.
Meer passende woningen voor ouderen kan daardoor indirect ruimte maken voor gezinnen. Maar dat werkt alleen als die woningen betaalbaar, toegankelijk en aantrekkelijk genoeg zijn.
Regionale verschillen vragen ander beleid
De verschillen tussen regio’s zijn zo groot dat één woningbeleid niet overal hetzelfde effect heeft. In Groot-Amsterdam draait de discussie vaak om krapte, hoge prijzen en kleine woningen. In Noord-Drenthe of Midden-Limburg speelt ruimte minder als gemiddelde beperking, maar kunnen bereikbaarheid, voorzieningen en vergrijzing juist belangrijker zijn.
In regio’s met relatief veel woonruimte kan de uitdaging liggen in het beter benutten van bestaande woningen, levensloopbestendig maken en aantrekkelijk houden van dorpen en kleinere steden. In stedelijke regio’s ligt de nadruk meer op verdichten, betaalbaarheid en voldoende gezinswoningen.
Dat maakt de CBS-cijfers nuttig. Ze laten zien dat Nederland niet één woonverhaal heeft. De Randstad, Noord-Nederland, Limburg en Flevoland hebben allemaal een andere dynamiek.
Woonruimte zegt niet alles over woonkwaliteit
Vierkante meters zijn belangrijk, maar woonkwaliteit bestaat uit meer dan ruimte. Een kleinere woning kan prettig zijn als die goed ingedeeld is, betaalbaar is en dichtbij werk, school en voorzieningen ligt. Een grote woning kan juist onpraktisch zijn als onderhoud zwaar wordt of voorzieningen ver weg zijn.
Ook energiezuinigheid, buitenruimte, toegankelijkheid, buurtveiligheid en betaalbaarheid bepalen hoe prettig iemand woont.
Daarom moeten de cijfers niet te simpel worden gelezen. Meer vierkante meters per persoon betekent niet automatisch dat mensen beter wonen. Minder vierkante meters betekent ook niet altijd slechter wonen. Maar woonoppervlakte is wel een belangrijke graadmeter voor hoe druk of ruim mensen hun woning ervaren.
Gemiddelde stijging verbergt spanning
De stijging van 2 vierkante meter in tien jaar klinkt positief. Toch schuilt er spanning achter. Ouderen en alleenstaanden wonen relatief ruim. Gezinnen en Randstadbewoners wonen krapper. Appartementbewoners kregen gemiddeld minder ruimte per persoon. En de regio waar iemand woont maakt veel uit.
Dat maakt woonruimte een verdelingsvraag. Niet alleen hoeveel ruimte is er, maar ook wie heeft die ruimte, waar ligt die ruimte en sluit die aan op de vraag?
Voor de woningmarkt is dat misschien wel de belangrijkste les. Nederland heeft niet alleen meer woningen nodig, maar ook betere doorstroming en woningen die passen bij verschillende levensfases.
Iets ruimer wonen, maar niet voor iedereen
De gemiddelde Nederlander woont iets ruimer dan tien jaar geleden. Dat is een positief cijfer, maar geen reden om de woningmarkt minder urgent te vinden.
Voor jonge huishoudens, gezinnen en bewoners van stedelijke appartementen blijft woonruimte schaars en duur. Voor ouderen en alleenstaanden is er vaak juist veel ruimte, maar niet altijd een passend alternatief om te verhuizen.
De komende jaren wordt het daarom belangrijk om verder te kijken dan alleen het aantal nieuwe woningen. Ook de verdeling van woonruimte telt. Waar wonen mensen ruim, waar wonen ze krap en hoe zorg je dat woningen beter meebewegen met het leven van bewoners?
De CBS-cijfers laten zien dat Nederland gemiddeld iets meer ruimte heeft gekregen. De uitdaging is nu om die ruimte beter te laten aansluiten op waar de woonvraag het grootst is.
Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek en StatLine.