Van de terughoudendheid rond zelfstandig ondernemerschap is in het Handelsregister steeds minder te merken. In het derde kwartaal van 2026 werden in Nederland 62.395 nieuwe bedrijfsvestigingen ingeschreven, 15,4 procent meer dan een jaar eerder. Daarmee noteert de Kamer van Koophandel (KVK) de sterkste stijging van het aantal starters in jaren. Opmerkelijk is vooral wie er achter die groei zitten: 82 procent van de nieuwe ondernemers begint als zelfstandige zonder personeel.
Dat is niet helemaal het beeld dat eind 2024 werd verwacht. Destijds kondigden bedrijven en instellingen aan minder zzp’ers te gaan inhuren, omdat de Belastingdienst vanaf januari 2025 strenger zou optreden tegen schijnzelfstandigheid. In sectoren als de bouw, zorg en het onderwijs ontstond onzekerheid over bestaande samenwerkingen. Sommige zelfstandigen verloren opdrachten, anderen besloten terug te keren naar loondienst. Toch blijkt de behoefte om zelfstandig te werken niet verdwenen.
Ook buiten de groep starters laten de KVK-cijfers groei zien. Het aantal bedrijven dat de activiteiten beëindigde, nam af en Nederland telt inmiddels ruim 2,6 miljoen ingeschreven bedrijfsvestigingen. Achter dat positieve beeld schuilt wel een belangrijke nuance. Meer inschrijvingen betekenen niet automatisch dat er evenveel nieuwe voltijdsondernemers bij zijn gekomen.
Vooral zzp’ers zorgen voor nieuwe inschrijvingen
Het aandeel zelfstandigen zonder personeel is bijzonder groot onder de starters. Van alle nieuw geregistreerde ondernemingsvestigingen valt 82 procent onder de zzp-definitie van de KVK. Bij het totale aantal ingeschreven vestigingen ligt dat aandeel op 69 procent. Het zelfstandig ondernemerschap blijft daarmee een van de meest gekozen manieren om een bedrijf te beginnen.
De groei is niet gelijk verdeeld over alle bedrijfstakken. Vooral in de informatie- en communicatietechnologie nam het aantal starters stevig toe. Ook in de relatief kleine sector waterbedrijven en afvalbeheer was sprake van een sterke procentuele stijging. In de handel en de landbouw werden juist minder nieuwe ondernemingen geregistreerd.
Kijkt de KVK naar het aandeel zzp’ers binnen bestaande sectoren, dan vallen vooral het onderwijs, de bouw en de zorg op. Juist daar werd de afgelopen jaren veel gesproken over het terugdringen van zelfstandigen. Dat maakt de nieuwe cijfers interessant. Organisaties kunnen besluiten minder zzp’ers in te huren, maar daarmee verdwijnt niet vanzelf de behoefte aan tijdelijke capaciteit of specialistische kennis.
Volgens Joris Knoben, hoogleraar strategie en ondernemerschap aan Tilburg University, wisselen mensen gedurende hun loopbaan geregeld tussen loondienst en zelfstandig werk. Vooral in de bouw is een combinatie van werknemers en zelfstandige vakmensen gebruikelijk. Bedrijven hebben nu eenmaal niet voor ieder project dezelfde hoeveelheid personeel nodig. Een aannemer kan maandenlang extra timmerlieden gebruiken, terwijl op een volgend project andere specialisten nodig zijn.
Ook zelfstandigen passen hun werkzaamheden aan. Iemand die voorheen als zzp’er binnen een onderwijsinstelling werkte, kan bijvoorbeeld verdergaan als zelfstandig bijlesdocent. In de zorg kunnen ondernemers zich richten op begeleiding of therapie buiten de gebruikelijke personeelsconstructies van instellingen. Knoben ziet dergelijke verschuivingen als een aanwijzing dat mensen niet noodzakelijk afscheid nemen van het ondernemerschap wanneer een bepaalde manier van werken moeilijker wordt.
Hoe groot die verschuiving precies is, blijkt niet uit de KVK-cijfers. Wel maken ze duidelijk dat het effect van strengere controles ingewikkelder is dan een eenvoudige daling van het aantal zelfstandigen.
Waarom de cijfers van KVK en CBS verschillen
De sterke groei van het aantal zzp-inschrijvingen roept een vraag op. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldde deze zomer namelijk nog dat het aantal mensen met een zelfstandige hoofdbaan verder afnam. In het tweede kwartaal van 2026 waren er 131.000 minder zzp’ers met zelfstandig werk als belangrijkste baan dan eind 2024. Volgens het CBS ging het inmiddels om zes opeenvolgende kwartalen met een daling.
Dat lijkt haaks te staan op het optimistische beeld van de KVK, maar beide instanties tellen iets anders. De KVK kijkt naar ingeschreven ondernemingen en vestigingen. Daaronder vallen ook mensen die naast hun baan een onderneming hebben of slechts een beperkt aantal uren zelfstandig werken. Het CBS kijkt in de genoemde arbeidsmarktcijfers naar personen en de werkzaamheden waaraan zij de meeste uren besteden.
Wie vier dagen per week in loondienst werkt en daarnaast een eigen onderneming heeft, kan bij de KVK als zzp’er geregistreerd staan zonder bij het CBS te worden meegeteld als iemand met een zelfstandige hoofdbaan. Hetzelfde geldt voor een ondernemer die steeds meer uren in loondienst gaat werken, maar de eigen onderneming aanhoudt.
Dat verschil is belangrijk bij het beoordelen van de ontwikkeling. Een toename van nieuwe inschrijvingen laat zien dat mensen mogelijkheden zien om te ondernemen. Het vertelt nog niet hoeveel van hen hun volledige inkomen uit die activiteiten halen, of hoeveel opdrachten er daadwerkelijk worden uitgevoerd.
Ook over de levensvatbaarheid van de nieuwe bedrijven valt uit de registratie alleen weinig te zeggen. Een bedrijf starten is relatief eenvoudig. Een vaste klantenkring opbouwen, voldoende omzet behalen en de onderneming jarenlang draaiende houden, vraagt veel meer. De komende jaren moeten uitwijzen welk deel van deze nieuwe ondernemers daadwerkelijk actief blijft.
Schijnzelfstandigheid blijft een lastig onderwerp
De opleving van het aantal starters betekent niet dat de discussie over schijnzelfstandigheid voorbij is. Sinds 1 januari 2025 controleert de Belastingdienst weer volgens de normale handhavingsregels op arbeidsrelaties. Wanneer iemand officieel als zelfstandige wordt ingehuurd, maar feitelijk werkt onder omstandigheden die bij loondienst horen, kan de opdrachtgever met correcties en naheffingen te maken krijgen.
Sinds begin 2026 kunnen bij overtredingen bovendien vergrijpboetes worden opgelegd. De Belastingdienst legt dit jaar nog geen verzuimboetes op. Voor opdrachtgevers is het financiële risico daarmee nadrukkelijker aanwezig dan tijdens de jaren waarin de handhaving grotendeels was opgeschort.
Die controles betekenen overigens niet dat bedrijven geen zzp’ers meer mogen inschakelen. Het gaat om de feitelijke samenwerking. Hoeveel vrijheid heeft een zelfstandige bij de uitvoering van het werk? Draagt iemand ondernemersrisico en kan de opdracht zelfstandig worden georganiseerd? Of wordt het werk onder dezelfde aansturing uitgevoerd als bij werknemers?
Vooral in de praktijk kunnen zulke situaties ingewikkeld zijn. Een bouwbedrijf dat een zelfstandige specialist inhuurt voor een duidelijk afgebakend onderdeel van een project, werkt anders dan een organisatie die iemand maandenlang volgens een vast rooster laat meedraaien. Toch zijn de verschillen niet altijd eenvoudig vast te leggen. Een overeenkomst waarin iemand zzp’er wordt genoemd, is op zichzelf onvoldoende om van zelfstandig ondernemerschap te kunnen spreken.
Het kabinet probeert met een nieuwe Zelfstandigenwet meer duidelijkheid te bieden. Het wetsvoorstel is sinds 1 oktober in internetconsultatie en bevat twee toetsen. De eerste richt zich op de ondernemer zelf, bijvoorbeeld op de manier van factureren, het aantal opdrachtgevers en de voorzieningen voor ondernemersrisico’s. De tweede kijkt naar de werkrelatie en de vrijheid waarmee de werkzaamheden worden uitgevoerd.
Het kabinet wil dat zelfstandigen en opdrachtgevers vooraf beter kunnen beoordelen wanneer samenwerking mogelijk is zonder dat sprake is van loondienst. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028. Dat staat echter nog niet vast: het wetsvoorstel moet na de consultatie verder worden behandeld en uiteindelijk door het parlement worden aangenomen.
Tot die tijd blijven ondernemers aangewezen op de bestaande regels. De groei van het aantal starters verandert niets aan de verantwoordelijkheid van opdrachtgevers om hun arbeidsrelaties goed in te richten.
Minder bedrijven stoppen met ondernemen
De KVK ziet niet alleen meer nieuwe bedrijven verschijnen. Ook het aantal beëindigingen is gedaald. In het derde kwartaal stopten 36.610 bedrijfsvestigingen, 4,3 procent minder dan een jaar eerder. Het totale aantal ingeschreven vestigingen kwam eind september uit op 2.637.902. Dat is 1,5 procent meer dan in dezelfde periode vorig jaar.
Voor de KVK zijn de combinatie van meer starters en minder stoppers aanwijzingen dat het Nederlandse bedrijfsleven veerkracht toont. Ondernemers blijven kansen zien, ondanks onzekerheid over de economie, personeel en wetgeving.
Bij de faillissementen is wel een lichte toename zichtbaar. In het derde kwartaal gingen 735 bedrijven failliet, 0,6 procent meer dan een jaar eerder. Die beperkte stijging verandert het algemene beeld niet sterk, maar laat zien dat de omstandigheden voor individuele bedrijven uiteenlopen.
Een bedrijfsbeëindiging is bovendien lang niet altijd het gevolg van financiële problemen. Sommige ondernemers stoppen omdat zij met pensioen gaan of een baan in loondienst accepteren. Anderen sluiten een onderneming die zij naast hun werk hadden, of besluiten na een aantal jaren iets anders te gaan doen.
Het aantal stoppers en het aantal faillissementen moeten daarom los van elkaar worden bekeken. Een faillissement is een juridische procedure die meestal volgt wanneer een onderneming haar schulden niet meer kan betalen. Een reguliere bedrijfsbeëindiging kan ook een bewuste keuze zijn.
Voor startende ondernemers blijft de financiële kant van het ondernemerschap ondertussen een belangrijk aandachtspunt. Wie zelfstandig werkt, moet doorgaans zelf rekening houden met perioden zonder opdrachten, verzekeringen, belastingen en pensioenopbouw. Een aantrekkelijk uurtarief is niet automatisch hetzelfde als een hoog besteedbaar inkomen.
Wat betekent de groei voor werkgevers?
De stijging van het aantal zzp’ers raakt ook bedrijven die personeel zoeken. In sectoren waar vakmensen schaars zijn, concurreren werkgevers niet alleen met andere werkgevers, maar soms ook met het zelfstandig ondernemerschap. Een ervaren timmerman kan kiezen voor een vast contract, maar ook besluiten rechtstreeks opdrachten aan te nemen. Voor een technisch specialist of adviseur geldt iets vergelijkbaars.
Dat hoeft niet uitsluitend nadelig te zijn. Een bedrijf dat tijdelijk specifieke deskundigheid nodig heeft, kan baat hebben bij een zelfstandige die voor meerdere opdrachtgevers werkt. Tegelijk ontstaan problemen wanneer structurele werkzaamheden langdurig worden ingevuld met constructies die feitelijk op een dienstverband lijken.
Vooral kleinere bedrijven zoeken hierin een werkbare balans. Zij hebben niet altijd voldoende opdrachten om extra mensen vast in dienst te nemen, maar kunnen bij drukte wel dringend ondersteuning gebruiken. De manier waarop zelfstandigen en opdrachtgevers samenwerken, blijft daardoor relevant, ongeacht hoeveel nieuwe ondernemers er ieder kwartaal bijkomen.
Ook voor de arbeidsmarkt als geheel is het nog onduidelijk welke richting de ontwikkeling op langere termijn opgaat. Het Handelsregister groeit, terwijl het CBS eerder dit jaar nog een daling van het aantal zelfstandigen met een hoofdbaan als zzp’er constateerde. Dat verschil laat zien hoe gemakkelijk ondernemerschap tegenwoordig met andere werkzaamheden wordt gecombineerd.
De komende kwartalen moeten duidelijk maken of de sterke stijging van nieuwe inschrijvingen aanhoudt. Daarnaast zal moeten blijken wat de nieuwe Zelfstandigenwet uiteindelijk betekent voor de bereidheid van bedrijven om met zelfstandigen samen te werken.
Voorlopig laten de cijfers vooral zien dat Nederlanders de stap naar een eigen bedrijf blijven zetten. Ruim 62.000 nieuwe inschrijvingen in drie maanden is aanzienlijk, zeker na de onzekerheid die de zzp-markt de afgelopen jaren beheerste. De belangstelling voor ondernemerschap is daarmee duidelijk aanwezig. Hoeveel van die nieuwe bedrijven straks zorgen voor een duurzaam inkomen, blijft een vraag die het Handelsregister alleen niet kan beantwoorden.
Bronnen: Kamer van Koophandel, KVK Trendrapport, CBS, NOS, Rijksoverheid en Belastingdienst.
