De inflatie in Nederland is in april uitgekomen op 2,8 procent. Daarmee lagen consumentengoederen en diensten 2,8 procent hoger in prijs dan een jaar eerder. In maart stond de inflatie nog op 2,7 procent, waardoor april opnieuw een lichte versnelling laat zien. Het definitieve cijfer is gelijk aan de snelle raming die het CBS eind april al publiceerde.
Die stijging lijkt op het eerste gezicht beperkt, maar past wel in een patroon dat sinds het begin van het jaar zichtbaar is. In januari en februari lag de inflatie nog op 2,4 procent. In maart ging die omhoog naar 2,7 procent, en in april dus naar 2,8 procent. Daarmee is de prijsontwikkeling in de eerste vier maanden van 2026 weer duidelijk opgelopen ten opzichte van de wintermaanden.
Ook op maandbasis zat er beweging in de prijzen. Volgens de snelle raming stegen de prijzen voor consumenten in april met 1,1 procent ten opzichte van maart. Dat is een forse maand-op-maandstap, zeker vergeleken met maart, toen consumentengoederen en diensten 0,7 procent duurder waren dan in februari. De jaarinflatie wordt weliswaar het meest gebruikt in het publieke debat, maar juist zulke maandstijgingen laten zien hoe snel prijsdruk in korte tijd weer kan oplopen.
Inflatie in april laat zien dat prijsrust nog niet vanzelfsprekend is
Met 2,8 procent zit de inflatie nog ver onder de pieken van 2022, maar dat betekent niet dat de prijsdruk uit beeld is verdwenen. Voor huishoudens voelt een inflatie van bijna 3 procent nog altijd als een merkbare stijging van dagelijkse uitgaven, zeker wanneer die bovenop eerdere prijsstappen komt. De cijfers van begin 2026 wijzen er niet op dat prijzen opnieuw uit de hand lopen, maar wel dat van echte prijsrust nog geen sprake is.
Dat is vooral relevant omdat inflatie niet alleen iets zegt over de kassabon van nu, maar ook over koopkracht, loonruimte en renteverwachtingen. Zodra de inflatie weer wat oploopt, komt automatisch de vraag terug of die stijging tijdelijk is of dat de prijsdruk zich breder in de economie vastzet. De nieuwste CBS-cijfers geven daar nog geen definitief antwoord op, maar ze maken wel duidelijk dat de neerwaartse lijn van eerder niet heeft doorgezet.
Van winterrust naar oplopende inflatie in het voorjaar
De ontwikkeling over de eerste maanden van 2026 laat een duidelijke omslag zien. Januari begon met 2,4 procent inflatie. Februari kwam op hetzelfde niveau uit. In maart volgde een duidelijke stap omhoog naar 2,7 procent, waarna april uitkwam op 2,8 procent. Dat maakt het voorjaar tot nu toe duurder dan de start van het jaar. Het gaat niet om een explosieve toename, maar wel om een reeks waarin de inflatie twee maanden achter elkaar verder is opgelopen.
In maart wees het CBS daarbij nadrukkelijk op hogere prijzen van motorbrandstoffen en voedingsmiddelen. Motorbrandstoffen waren in maart 18,7 procent duurder dan een jaar eerder, terwijl die stijging in februari nog 2,6 procent bedroeg. Vooral diesel werd in korte tijd flink duurder. Dat nieuwsbericht ging over maart, niet over april, maar het maakt wel zichtbaar dat prijsdruk in enkele gevoelige categorieën snel weer invloed kan hebben op het totale inflatiecijfer.
Cijfer over april kwam later door storing bij CBS
Opvallend aan de publicatie over april is dat het definitieve inflatiecijfer later naar buiten kwam dan gebruikelijk. De reguliere cijfers van de consumentenprijsindex zouden oorspronkelijk op 13 mei verschijnen, maar het CBS stelde de publicatie uit door brand in een datacenter in Almere. Op 20 mei zijn de cijfers alsnog op StatLine geplaatst. Dat maakt de aprilmeting niet minder bruikbaar, maar het verklaart wel waarom de definitieve update later verscheen dan normaal.
Die vertraging veranderde niets aan de uitkomst zelf. Het definitieve cijfer bleef gelijk aan de snelle raming van eind april. Dat is relevant, omdat snelle ramingen op nog onvolledige brongegevens worden gebaseerd. In dit geval bleek het voorlopige beeld dus goed stand te houden. Voor het vertrouwen in de eerste schatting is dat een belangrijk detail, al blijft het definitieve maandbericht altijd de formele basis voor verdere analyses.
Nieuwe methode maakt inflatiecijfers vanaf 2026 anders van opzet
Sinds januari 2026 werkt het CBS met een nieuw basisjaar voor de consumentenprijsindex en de geharmoniseerde consumentenprijsindex: 2025=100 in plaats van 2015=100. Tegelijk is de indeling van goederen en diensten aangepast, zodat die beter aansluit op veranderde consumptiepatronen. Ook sluit de Nederlandse CPI vanaf 2026 meer aan op de Europees geharmoniseerde HICP. Volgens het CBS veranderen deze methodische aanpassingen niets aan al gepubliceerde inflatiecijfers, maar ze zijn wel relevant voor hoe de reeksen vanaf 2026 worden opgebouwd en vergeleken.
Die HICP is vooral van belang voor internationale vergelijkingen. De HICP wordt in alle EU-landen volgens dezelfde definities en methoden berekend, waardoor prijsontwikkelingen tussen landen beter naast elkaar kunnen worden gelegd. Voor het Nederlandse nieuws en voor veel contracten blijft de gewone CPI meestal het bekendste cijfer, maar in de achtergrond speelt die Europese vergelijking steeds nadrukkelijker mee.
Inflatie blijft belangrijk voor huishoudens en beleid
Een inflatie van 2,8 procent is geen crisisniveau, maar voor huishoudens blijft het een cijfer dat direct voelbaar kan zijn. Zeker na jaren waarin prijzen soms uitzonderlijk hard stegen, wordt ook een meer gematigde inflatie anders beleefd dan vroeger. Niet alleen energie en brandstof, maar ook boodschappen, diensten en andere vaste uitgaven drukken dan mee op het huishoudbudget. De laatste maanden laten zien dat prijsdruk snel kan terugkomen, ook als de pieken van eerdere jaren achter ons lijken te liggen.
Voor beleidsmakers en economen blijft vooral de richting belangrijk. De inflatie bleef in januari en februari nog stabiel op 2,4 procent, maar liep in maart en april weer op. Dat hoeft niet meteen het begin van een nieuwe inflatiegolf te zijn, maar het betekent wel dat de prijsontwikkeling in Nederland nog altijd aandacht vraagt. De cijfers over april laten vooral zien dat het inflatiebeeld in 2026 voorlopig grilliger blijft dan een paar maanden geleden misschien werd gehoopt.
Bronnen: CBS.