De arbeidsmarkt is krap, werkgevers zoeken mensen en toch staat er een grote groep aan de zijlijn. Nieuwe cijfers van het CBS laten zien hoe groot die groep is en, vooral, waarom mensen niet werken. In 2025 ging het om bijna 2,3 miljoen niet werkenden van 15 jaar tot de AOW leeftijd. Dat aantal is het tweede jaar op rij licht toegenomen, in totaal met 40 duizend. Tien jaar geleden waren het er nog bijna 2,7 miljoen.
Opvallend is niet alleen de omvang, maar ook de reden. Ziekte of arbeidsongeschiktheid is het vaakst genoemd als belangrijkste verklaring om niet te werken. Het gaat om 806 duizend mensen die niet werken vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid. Daarmee komt een belangrijk deel van het arbeidspotentieel niet in beeld als “werkloos”, maar als niet beschikbaar.
Niet werkend is niet hetzelfde als werkloos
In het publieke debat worden “niet werkenden” en “werklozen” nog wel eens door elkaar gehaald, maar in de statistiek is het verschil groot. Van de bijna 2,3 miljoen niet werkenden in 2025 waren er 389 duizend werkloos: zij zochten actief en waren snel beschikbaar. Nog eens 251 duizend mensen waren semiwerkloos: zij zochten wel of waren beschikbaar, maar niet allebei tegelijk. De grootste groep, ruim 1,6 miljoen mensen, zocht niet en was ook niet binnen twee weken beschikbaar.
Juist die laatste categorie maakt duidelijk waarom de krapte op de arbeidsmarkt niet vanzelf oplost. Er is wel arbeidspotentieel, maar een groot deel daarvan staat niet “aan” in termen van zoeken en beschikbaarheid. Het gaat dan niet alleen om mensen die het even rustig aan doen, maar ook om mensen die vastzitten door gezondheid, zorgtaken of opleiding.
De redenen verschillen sterk per levensfase
De cijfers laten zien dat leeftijd veel uitmaakt voor de reden waarom iemand niet werkt. Bij jongeren tot 25 jaar speelt opleiding de hoofdrol: 211 duizend niet werkenden in die groep geven studie als belangrijkste reden. Bij 55 jaar tot de AOW leeftijd schuift het beeld op naar ziekte en naar hoge leeftijd of pensioen.
CBS laat ook zien dat het aantal niet werkenden in meerdere leeftijdsgroepen licht stijgt, met één uitzondering: bij 25 tot 35 jarigen is er juist een kleine daling. Tegelijk speelt een technische factor mee: de AOW leeftijd lag in 2024 en 2025 op 67 jaar, terwijl die in 2023 nog 66 jaar en 10 maanden was. Dat beïnvloedt de afbakening van de groep 55 tot AOW leeftijd.
Ziekte houdt mensen het vaakst langdurig buiten werk
Een van de meest indringende uitkomsten is de verwachting over terugkeer. Ongeveer de helft van alle niet werkenden zoekt werk, is beschikbaar of verwacht later te gaan werken. Maar binnen de groep die niet werkt door ziekte of arbeidsongeschiktheid ligt dat anders: 79 procent van hen verwacht ook in de toekomst niet te gaan werken.
Dat maakt ziekte en arbeidsongeschiktheid niet alleen een persoonlijke realiteit, maar ook een structurele factor in de arbeidsmarkt. Wie langdurig uitvalt, is vaak niet snel terug, zeker niet zonder begeleiding, aanpassingen of passend werk. En dat raakt werkgevers direct: minder instroom, meer druk op de mensen die er wel zijn, en daarmee weer meer risico op uitval.
Zorgtaken en vergrijzing drukken eveneens op deelname
Na ziekte is er nog een groep die in het debat vaak onderschat wordt: mensen die niet werken door zorgtaken. CBS noemt 225 duizend mensen die niet werken vanwege zorg. Ook daar is de kans groot dat mensen langere tijd niet beschikbaar zijn: 58 procent van degenen die zorg als belangrijkste reden noemen, verwacht ook in de toekomst niet te gaan werken.
Daarnaast is er de categorie “hoge leeftijd of pensioen”: 245 duizend mensen werken niet om die reden. De vergrijzing maakt deze groep op termijn groter, waardoor de druk op de werkenden toeneemt, zeker in sectoren waar vervangbaarheid lastig is en ervaring zwaar meetelt.
Wat betekent dit voor werkgevers en beleid
Deze cijfers zetten een streep onder een ongemakkelijke waarheid: arbeidsmarktkrapte is niet alleen een kwestie van werven, maar ook van voorkomen dat mensen uitvallen en van realistisch re integreren wanneer dat wel gebeurt. De ruimte zit niet in “even snel extra mensen”, maar in het beperken van langdurige uitval, het slimmer organiseren van werk en het beter benutten van mensen die wel willen werken maar nog niet kunnen.
Daar sluit een tweede discussie op aan: het arbeidsongeschiktheidsstelsel zelf staat onder druk. De Rijksoverheid heeft eerder al aangegeven dat ingrijpende aanpassingen aan het stelsel noodzakelijk zijn, onder meer vanwege complexiteit en uitvoerbaarheid. Dat gaat niet alleen over uitkeringen, maar ook over de route terug naar passend werk en de belasting voor werkgevers en uitvoerders.
Voor werkgevers ligt er tegelijk een heel praktische opdracht. Niet elke uitval is te voorkomen, maar werkdruk, inzetbaarheid en duurzame roosters maken wel verschil. En als iemand uitvalt, bepaalt de eerste fase vaak hoe groot de kans op terugkeer wordt. Dat vraagt om tijd, aandacht en begeleiding, precies de elementen die in sectoren met krapte vaak schaars zijn.
De arbeidsmarkt buiten de beroepsbevolking groeit mee
UWV wijst er in arbeidsmarktcijfers op dat naast de werklozen een veel grotere groep buiten de beroepsbevolking staat, onder meer door pensioen en doordat mensen niet kunnen werken door ziekte of arbeidsongeschiktheid. Die niet beroepsbevolking nam de afgelopen maanden toe. Dat onderstreept dat “werkloosheid” maar een deel van het verhaal is.
De CBS cijfers maken het concreet: de grootste rem op extra arbeidsaanbod zit niet in mensen die kort zoeken, maar in mensen die langdurig niet beschikbaar zijn. En binnen die groep springt ziekte of arbeidsongeschiktheid eruit als belangrijkste reden, met de kleinste kans op snelle terugkeer.