dinsdag, april 14, 2026
11.3 C
Groningen

Nederlanders digitaal vaardigst, bedrijven in EU-top 3

Nederland behoort inmiddels tot de Europese kopgroep als het gaat om digitalisering. Niet alleen Nederlandse bedrijven scoren hoog op het gebruik van digitale technologie, ook inwoners lopen binnen de Europese Unie voorop in digitale vaardigheden. Nieuwe cijfers van het CBS laten zien dat bijna 90 procent van de Nederlandse bedrijven inmiddels een basisniveau van digitale intensiteit heeft bereikt. Tegelijk beschikt 84 procent van de Nederlanders over ten minste digitale basisvaardigheden, het hoogste aandeel binnen de EU.

Daarmee komt Nederland op een opvallend moment uit op een sterke uitgangspositie. De Europese Unie heeft voor 2030 als doel gesteld dat minstens 80 procent van de volwassenen ten minste basis digitale vaardigheden heeft en dat meer dan 90 procent van de kleine en middelgrote bedrijven een basisniveau van digitale intensiteit bereikt. Volgens de nieuwste cijfers heeft Nederland dat doel voor inwoners al gehaald en ligt het voor bedrijven binnen bereik.

Nederland nadert de Europese digitaliseringsdoelen sneller dan veel andere landen

Volgens het CBS bereikte in 2025 89 procent van de Nederlandse bedrijven met 10 tot 250 werknemers het basisniveau van digitale intensiteit. In 2023 was dat nog 83 procent en in 2021 75 procent. Daarmee laat Nederland in korte tijd een stevige sprong zien. In dezelfde publicatie wordt ook het EU-gemiddelde genoemd, dat op 71 procent ligt.

Binnen de Europese ranglijst staat Nederland daarmee in de top drie. Alleen Finland en Denemarken scoren nog hoger als wordt gekeken naar de verdeling over lage, hoge en heel hoge digitale intensiteit. Nederland combineert daarbij een breed basisniveau met ook een relatief grote groep bedrijven die op een hoog of zeer hoog digitaal niveau opereert. Dat maakt de Nederlandse positie sterker dan wanneer alleen naar een minimumscore zou worden gekeken.

Die score is economisch relevant, omdat digitale technologie voor bedrijven al lang niet meer alleen draait om automatisering op de achtergrond. Eurostat wijst erop dat digitalisering bedrijven helpt om producten en diensten te verbeteren, efficiënter te werken en concurrerender te worden, bijvoorbeeld door online verkoop, datagebruik en slimmere bedrijfsprocessen. Tegen die achtergrond zegt een hoge digitale intensiteit ook iets over het aanpassingsvermogen van bedrijven in een economie die steeds sterker digitaal wordt georganiseerd.

Wat die digitale intensiteit precies betekent

De Europese maatstaf voor de digitalisering van bedrijven is de digitale intensiteitsindex. Die kijkt naar het gebruik van twaalf geselecteerde digitale technologieën. Een bedrijf haalt het basisniveau wanneer het minimaal vier van die twaalf technologieën gebruikt. Het gaat daarbij dus niet om één losse digitale toepassing, maar om een bredere mate van integratie in de bedrijfsvoering.

Dat maakt ook duidelijk waarom de cijfers meer zeggen dan alleen of een bedrijf een website heeft of online bereikbaar is. De index kijkt juist naar een stap verder: in hoeverre digitale middelen echt onderdeel zijn geworden van dagelijkse processen. Dat Nederland daarbij zo hoog scoort, wijst erop dat digitalisering hier niet alleen bij een beperkte voorhoede zit, maar in een groot deel van het bedrijfsleven al tamelijk normaal is geworden.

Vooral informatie- en communicatiebedrijven lopen ver vooruit

Achter het hoge gemiddelde gaan wel duidelijke verschillen tussen sectoren schuil. Het CBS meldt dat 98 procent van de bedrijven in de informatie- en communicatiesector het basisniveau van digitale intensiteit haalt. Nog opvallender is dat 92 procent van die bedrijven zelfs in de twee hoogste categorieën valt: hoge of heel hoge digitale intensiteit. Daarmee is dit veruit de meest gedigitaliseerde sector van Nederland.

Ook andere sectoren zitten boven het landelijke gemiddelde. Zo scoren onder meer verhuur en handel van onroerend goed en de specialistische zakelijke dienstverlening bovengemiddeld. In de sector onroerend goed valt op dat slechts 3 procent van de bedrijven nog in de lage categorie zit, terwijl 66 procent hoog en 29 procent heel hoog scoort. Zulke cijfers laten zien dat digitalisering allang niet meer beperkt is tot puur technologische bedrijven.

Tegelijk blijven er ook sectoren achter. De horeca heeft volgens het CBS het vaakst een lage digitale intensiteit. Daar valt 41 procent van de bedrijven in de lage categorie, tegenover 25 procent in de hoge en 11 procent in de heel hoge categorie. Ook in de bouwnijverheid en in vervoer en opslag ligt de digitalisering duidelijk lager dan in de koploperssectoren.

Juist dat verschil is belangrijk voor het bredere economische verhaal. Nederland kan als geheel hoog scoren, maar binnen de economie betekent dat niet dat elke sector dezelfde digitale sprong al heeft gemaakt. In arbeidsintensievere of praktisch gerichte sectoren blijkt de overgang vaak minder ver gevorderd. Daardoor ontstaat een digitalisering met koplopers en achterblijvers, ook binnen één land dat gemiddeld tot de EU-top behoort.

Nederlanders zijn digitaal het meest vaardig van Europa

Niet alleen bedrijven, ook inwoners van Nederland scoren uitzonderlijk hoog. In 2025 beschikte 84 procent van de Nederlanders van 16 tot 75 jaar over ten minste digitale basisvaardigheden. Daarmee staat Nederland bovenaan in de EU. Ierland volgt met 83 procent, terwijl Denemarken en Finland uitkomen op 81 procent. Het EU-gemiddelde ligt met 60 procent een stuk lager.

Daarmee heeft Nederland als een van de eerste landen de Europese doelstelling voor 2030 al binnen. De EU wil dat in 2030 minstens 80 procent van de bevolking over ten minste digitale basisvaardigheden beschikt, maar op Europees niveau is dat doel nog lang niet gehaald. Eurostat benadrukt dat de EU als geheel met 60 procent nog twintig procentpunt onder die doelstelling zit. Dat onderstreept hoe uitzonderlijk de Nederlandse score in Europees perspectief is.

Het CBS voegt daar nog een tweede belangrijk gegeven aan toe. Niet alleen heeft 84 procent van de Nederlanders basisvaardigheden, 56 procent beschikt zelfs over meer dan digitale basisvaardigheden. In 2023 lag dat aandeel nog op 50 procent en in 2021 op 48 procent. De groei zit dus niet alleen in de onderkant van de ladder, maar ook in een bredere groep die digitaal bovengemiddeld vaardig raakt.

Digitale voorsprong is breed, maar niet op elk onderdeel even sterk

Volgens het CBS zijn Nederlanders vooral sterk in online communicatie. Vrijwel iedereen blijkt bedreven in digitale communicatievormen als e-mail, bellen via internet, het gebruik van sociale netwerken en online meningsuiting. Op dat onderdeel beschikt 99 procent van de mensen over meer dan alleen basisvaardigheden.

De zwakkere plek ligt juist op een terrein dat voor werk en productiviteit belangrijk kan zijn: softwaregebruik. Het CBS noemt daarbij onder meer tekstverwerking, spreadsheets en programmeren. Op dit onderdeel heeft 68 procent meer dan basisvaardigheden. Dat is nog altijd hoog, maar duidelijk minder sterk dan de score op online communicatie. Daarmee ontstaat een bekend beeld van digitalisering: veel mensen zijn zeer vertrouwd met online gebruik en interactie, maar complexere of meer technische toepassingen blijven relatief vaker achter.

Ook Eurostat wijst erop dat digitale vaardigheden in Europa sterk verschillen naar leeftijd en opleidingsniveau. In de EU heeft 82 procent van de mensen met een hoge opleiding ten minste basis digitale vaardigheden, tegenover 38 procent van mensen met een lage of geen formele opleiding. Daarnaast liggen de percentages onder ouderen veel lager dan onder jongere groepen. Nederland staat weliswaar bovenaan, maar opereert dus binnen een Europees landschap waarin de digitale kloof nog steeds groot is.

De sterke Nederlandse score zegt ook iets over de economie van nu

De uitkomsten passen in een bredere ontwikkeling waarin digitalisering niet langer een los beleidsdoel is, maar steeds meer een randvoorwaarde voor economische weerbaarheid. De Europese Commissie verdeelt de Digital Decade-doelen niet voor niets over vier pijlers: connectiviteit, digitale vaardigheden, digitale bedrijven en digitale overheidsdiensten. Dat laat zien dat concurrentiekracht, arbeidsmarkt en publieke dienstverlening steeds sterker afhankelijk zijn van een samenleving die digitaal goed mee kan.

Voor Nederland is het gunstig dat zowel bedrijven als inwoners hoog scoren, omdat juist die combinatie belangrijk is. Een digitaal vaardige bevolking zonder digitaal volwassen bedrijfsleven levert minder economische winst op, en omgekeerd werkt een ver gedigitaliseerd bedrijfsleven minder goed als werknemers en consumenten digitaal niet mee kunnen. De Nederlandse cijfers suggereren dat beide kanten zich momenteel relatief sterk ontwikkelen.

Daar staat wel tegenover dat een hoge uitgangspositie ook nieuwe verwachtingen oproept. De EU richt zich voor bedrijven niet alleen op een basisniveau van digitalisering, maar ook op bredere toepassing van cloud, kunstmatige intelligentie en data-analyse. Eurostat noemt expliciet als doel dat 75 procent van de EU-bedrijven tegen 2030 cloud, big data of AI gebruikt. Een hoog basisniveau is dus belangrijk, maar zegt nog niet alles over de volgende fase van digitale concurrentie.

Achter de koppositie blijft nog werk liggen

Juist daarom is het opvallend dat de sterkste Nederlandse cijfers vooral laten zien hoe breed de basis is geworden. Dat is goed nieuws, maar ook een tussenstand. Binnen sectoren zoals horeca en bouw blijft digitalisering achter, terwijl bij inwoners de meer technische vaardigheden minder vanzelfsprekend zijn dan algemene online communicatie. De voorsprong van Nederland is dus reëel, maar niet op elk onderdeel even diep.

Toch is de hoofdlijn duidelijk. Nederland behoort met de digitalisering van bedrijven tot de Europese top en is voor digitale vaardigheden van inwoners zelfs de absolute koploper. In een tijd waarin technologie steeds meer doorwerkt in werk, onderwijs, dienstverlening en concurrentiekracht, zijn dat cijfers die verder reiken dan alleen ICT-beleid. Ze zeggen ook iets over hoe goed een economie is voorbereid op de volgende fase van verandering.

Bronnen: CBS, Eurostat, Europese Commissie.

Recente publicaties

Funderingsschade voor veel huiseigenaren financieel onhaalbaar

Funderingsschade is voor veel huiseigenaren al jaren een sluimerend...

Ombudsman hard over bijstandsbezuiniging: kabinet laat zwaksten vallen

Het kabinetsplan om te besparen op de bijstand zorgt...

Consumptie huishoudens krimpt in februari door lagere uitgaven aan goederen

Na een lichte krimp in januari hebben Nederlandse huishoudens...

Geste-bouw organiseert bouwcapaciteit met vakmensen en zekerheid

In de bouw draait het zelden om “even” iemand...

Prijzen koopwoningen opnieuw hoger, maar nieuwbouw blijft achter

Wie hoopte dat de woningmarkt eind 2025 wat meer...

Gerelateerde artikelen