dinsdag, april 14, 2026
5.2 C
Groningen

Nederlandse inflatie komt in maart uit op 2,7 procent

De inflatie in Nederland is in maart 2026 uitgekomen op 2,7 procent bij de snelle raming van het CBS. Daarmee ligt het inflatiecijfer hoger dan in februari, toen de inflatie nog op 2,4 procent stond. Ook op maandbasis was er sprake van een stijging: consumentenprijzen lagen in maart 0,7 procent hoger dan in februari. Het gaat voorlopig nog om een snelle raming op basis van onvolledige brongegevens. De definitieve CPI-cijfers over maart volgen op 9 april.

Die stijging lijkt op het eerste gezicht beperkt, maar is economisch wel relevant. Na twee maanden op rij met een inflatie van 2,4 procent laat maart zien dat de prijsdruk nog altijd niet verdwenen is. Tegelijk blijft het Nederlandse inflatiecijfer duidelijk onder het niveau van een jaar eerder. In maart 2025 kwam de inflatie nog uit op 3,7 procent. Vergeleken met toen is het tempo van prijsstijgingen dus lager, maar ten opzichte van de eerste maanden van 2026 zit er wel weer beweging omhoog in het cijfer.

Stijging komt niet alleen uit één hoek

Wat de snelle raming vooral interessant maakt, is dat het hogere totaalcijfer niet uitsluitend op één productgroep rust. Het CBS meldt dat de prijzen van voedingsmiddelen, dranken en tabak in maart 2,0 procent hoger lagen dan een jaar eerder, tegen 1,4 procent in februari. Ook energie inclusief motorbrandstoffen liet een duidelijke omslag zien: waar die categorie in februari nog op 0,0 procent jaarmutatie stond, was dat in maart 6,5 procent.

Tegelijk nam de prijsdruk bij diensten juist wat af. In februari lag de jaarmutatie daar nog op 4,2 procent, in maart kwam die uit op 3,8 procent. Ook industriële goederen exclusief energie en motorbrandstoffen bleven vrijwel stabiel, met 0,4 procent in zowel februari als maart. Daardoor ontstaat een gemengd beeld: de inflatie loopt op, maar niet doordat alle grote categorieën tegelijk versnellen. Juist de combinatie van oplopende energie- en voedselprijzen en wat minder sterke diensteninflatie bepaalt nu het totaalbeeld.

Energie keert nadrukkelijk terug in het inflatiebeeld

Dat de categorie energie inclusief motorbrandstoffen in maart uitkomt op 6,5 procent, springt het meest in het oog. Energie speelde de afgelopen tijd een minder sterke rol in het inflatiebeeld dan tijdens de piekjaren van 2022 en 2023, maar in deze snelle raming duikt die categorie weer nadrukkelijker op. Het CBS geeft in de snelle raming nog geen volledige uitsplitsing per afzonderlijk energie-onderdeel, maar de sprong van 0,0 naar 6,5 procent wijst erop dat energie in maart veel zwaarder op de inflatie heeft gedrukt dan een maand eerder.

Dat betekent overigens nog niet automatisch dat Nederland terug is bij de energiegedreven inflatie van enkele jaren geleden. De totale inflatie ligt met 2,7 procent nog altijd veel lager dan tijdens de periode waarin prijsstijgingen richting dubbele cijfers gingen. Toch laat maart wel zien hoe gevoelig het inflatiecijfer blijft voor prijsbewegingen in energie. Zelfs wanneer diensten iets afkoelen, kan een relatief sterke beweging bij energie het totaalcijfer weer omhoog trekken. Die gevoeligheid past ook in het bredere patroon van de Nederlandse inflatie sinds 2021, waarin energie en brandstoffen regelmatig grote schommelingen veroorzaakten.

Ook voeding laat weer meer prijsdruk zien

Naast energie is ook voeding weer iets nadrukkelijker aanwezig in de cijfers. Voedingsmiddelen, dranken en tabak kwamen in maart uit op 2,0 procent prijsstijging op jaarbasis, tegenover 1,4 procent in februari. Daarmee is het nog altijd een veel gematigder beeld dan in delen van 2024 en 2025, maar de richting is wel omhoog. Voor huishoudens is dat belangrijk, juist omdat voedselprijzen direct voelbaar zijn in het dagelijks leven en relatief vaak terugkomen in wekelijkse uitgaven.

De combinatie van duurdere voeding en sterkere energie-inflatie maakt maart daarom relevanter dan een kale stijging van 0,3 procentpunt misschien doet vermoeden. Het zijn namelijk precies de categorieën die veel consumenten snel merken. Daardoor kan de ervaren prijsdruk voor huishoudens steviger aanvoelen dan wanneer de stijging vooral uit meer technische of minder zichtbare onderdelen van de CPI zou komen. Dat het CBS op 9 april met de reguliere cijfers komt, is daarom belangrijk: pas dan wordt duidelijk welke onderliggende producten en diensten precies het zwaarst hebben doorgewerkt.

Maandstijging van 0,7 procent is niet uitzonderlijk, maar wel betekenisvol

Op maandbasis stegen de consumentenprijzen in maart met 0,7 procent ten opzichte van februari. Volgens het CBS is dat precies gelijk aan de gemiddelde maandmutatie in maart over de afgelopen tien jaar. Dat maakt de sprong dus niet uitzonderlijk voor deze maand. Tegelijk waarschuwt het statistiekbureau nadrukkelijk dat maand-op-maandvergelijkingen gevoelig zijn voor seizoenseffecten. Zo kunnen uitverkopen, vakantiepatronen en andere tijdelijke factoren ervoor zorgen dat prijzen in een bepaalde maand tijdelijk hoger of lager uitvallen.

Juist daarom blijft de jaar-op-jaarmeting het belangrijkste inflatiecijfer. Die vergelijking met dezelfde maand een jaar eerder filtert een deel van zulke seizoensbewegingen eruit. Voor maart betekent dat dat de hogere inflatie van 2,7 procent serieuzer is dan alleen een losse maandbeweging, maar ook weer niet meteen gelezen moet worden als een structurele nieuwe versnelling. Daarvoor is het nog te vroeg, juist omdat het om een snelle raming gaat en de definitieve cijfers nog moeten volgen.

Nederlandse HICP stijgt ook mee

Het CBS publiceert naast de gewone CPI ook de HICP, de Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex. Volgens de snelle raming kwam de inflatie in Nederland volgens die maatstaf in maart uit op 2,6 procent, tegen 2,3 procent in februari. Ook daar is dus sprake van een stijging. Het verschil tussen CPI en HICP zit voor Nederland vooral in de manier waarop met de kosten van wonen in een eigen woning wordt omgegaan. De HICP telt die kosten niet mee, terwijl de CPI die benadert via de ontwikkeling van woninghuren.

Die parallelle stijging van CPI en HICP maakt duidelijk dat het niet alleen om een technisch Nederlands meeteffect gaat. Ook in de Europees geharmoniseerde maatstaf is het inflatiebeeld in maart opgelopen. Dat is relevant, omdat de HICP doorgaans wordt gebruikt voor internationale vergelijking binnen Europa. Voor de Nederlandse consument zegt de CPI meer over de nationale prijsontwikkeling, maar voor de bredere Europese context blijft de HICP belangrijk.

2026 is ook een nieuw meetjaar voor inflatie

Bij de interpretatie van inflatiecijfers in 2026 speelt nog een tweede punt mee. Het CBS is dit jaar overgestapt op een nieuw basisjaar voor zowel CPI als HICP: van 2015=100 naar 2025=100. Daarnaast is de classificatie van goederen en diensten aangepast en sluit de CPI vanaf 2026 op enkele onderdelen meer aan bij de HICP. Het CBS benadrukt dat deze wijzigingen geen invloed hebben op al eerder gepubliceerde officiële inflatiecijfers tot en met 2025. Wel kunnen sommige indexreeksen en detailuitkomsten vanaf 2026 anders uitpakken dan onder de oude methode.

Dat is vooral van belang voor wie langere reeksen naast elkaar wil leggen of cijfers gebruikt voor indexering in contracten. Het CBS adviseert om voor perioden die eindigen in 2025 of eerder de oude CPI-reeks te gebruiken, en voor perioden vanaf januari 2026 de nieuwe reeks met basisjaar 2025=100. Voor nieuwsduiding van de actuele inflatie verandert dat minder, maar voor precieze historische vergelijkingen en contracttoepassingen is het wel degelijk relevant.

Na de daling in januari en stabilisatie in februari loopt de inflatie weer op

Kijkend naar het recente verloop valt op dat de inflatie begin dit jaar juist was afgekoeld. In december 2025 lag de inflatie nog op 2,8 procent. In januari daalde die naar 2,4 procent en in februari bleef dat niveau staan. De snelle raming van maart doorbreekt die korte stabilisatie dus. Daarmee lijkt de inflatie in Nederland voorlopig niet in een rechte lijn naar beneden te bewegen, maar eerder schoksgewijs te verlopen.

Dat sluit ook aan bij het bredere inflatiebeeld van de afgelopen jaren. Na de extreme pieken van 2022 is de inflatie weliswaar fors teruggelopen, maar echt rustig is het prijsbeeld sindsdien niet geworden. In 2025 bedroeg de gemiddelde inflatie nog altijd 3,3 procent. Maart 2026 laat zien dat ook bij lagere totalen de onderliggende prijsdruk niet verdwenen is en dat nieuwe bewegingen in energie, voeding of diensten het cijfer relatief snel weer kunnen veranderen.

Definitieve cijfers moeten uitwijzen of maart een beginpunt is of een uitschieter

De belangrijkste vraag is nu of maart het begin is van een nieuwe opwaartse fase of slechts een tijdelijke opleving. Op basis van de snelle raming alleen is dat nog niet te zeggen. Daarvoor zijn de cijfers te voorlopig en ontbreekt nog detailinformatie over de afzonderlijke bestedingscategorieën. Wel laat de eerste raming zien dat de inflatie breder is gaan bewegen dan in de eerste twee maanden van het jaar, met name door de sterkere ontwikkeling van energie en voeding.

Daarmee is de uitkomst van 9 april extra belangrijk. Dan wordt zichtbaar welke producten en diensten de stijging precies hebben veroorzaakt en of de opwaartse beweging vooral tijdelijk was of meer structurele kenmerken krijgt. Voorlopig is de conclusie vooral dat de inflatie in Nederland in maart weer is opgelopen, na een relatief rustige start van 2026. Dat is geen terugkeer naar de prijsstorm van eerdere jaren, maar wel een herinnering dat inflatie nog altijd snel kan bewegen zodra enkele grote prijsblokken tegelijk verschuiven.

Bronnen: CBS, CBS StatLine.

Recente publicaties

Funderingsschade voor veel huiseigenaren financieel onhaalbaar

Funderingsschade is voor veel huiseigenaren al jaren een sluimerend...

Ombudsman hard over bijstandsbezuiniging: kabinet laat zwaksten vallen

Het kabinetsplan om te besparen op de bijstand zorgt...

Consumptie huishoudens krimpt in februari door lagere uitgaven aan goederen

Na een lichte krimp in januari hebben Nederlandse huishoudens...

Geste-bouw organiseert bouwcapaciteit met vakmensen en zekerheid

In de bouw draait het zelden om “even” iemand...

Prijzen koopwoningen opnieuw hoger, maar nieuwbouw blijft achter

Wie hoopte dat de woningmarkt eind 2025 wat meer...

Gerelateerde artikelen