De roep om snelle compensatie voor hogere energie- en brandstofprijzen neemt toe, nu de onrust in het Midden-Oosten opnieuw druk zet op de energiemarkt. Toch kiest De Nederlandsche Bank nadrukkelijk voor terughoudendheid. Volgens DNB lijken brede maatregelen zoals een maximumprijs aan de pomp of een algemene accijnsverlaging misschien aantrekkelijk, maar zijn ze economisch niet de verstandigste route. De centrale bank waarschuwt dat zulke ingrepen duur zijn, vraag en aanbod verstoren en uiteindelijk ook weer kunnen doorwerken in de inflatie.
Die waarschuwing komt niet uit de lucht vallen. DNB-president Olaf Sleijpen schetst de geopolitieke situatie inmiddels als donkeroranje: ernstiger dan de eerdere code oranje, maar nog niet op het niveau waarop sprake is van een direct financieel stabiliteitsrisico voor banken, verzekeraars of pensioenfondsen. Daarmee zegt DNB eigenlijk twee dingen tegelijk. De situatie is serieus en vraagt om alertheid, maar ze is volgens de centrale bank nog niet van dien aard dat paniekmaatregelen nu al vanzelfsprekend zijn.
Politieke druk loopt op, maar DNB trapt op de rem
In Den Haag groeit ondertussen de druk om iets te doen aan de oplopende kosten voor huishoudens en bedrijven. Daarbij wordt nadrukkelijk teruggegrepen op de reflex van 2022, toen de overheid met omvangrijke koopkrachtmaatregelen en een prijsplafond ingreep tijdens de energiecrisis. DNB betwijfelt echter of zo’n brede aanpak nu opnieuw passend is. Volgens Sleijpen komt brede steun al snel ook terecht bij groepen die die hulp niet echt nodig hebben, terwijl de rekening uiteindelijk wel bij de belastingbetaler belandt. NOS meldde op basis van zijn toelichting dat alleen al een verlaging van de brandstofaccijns met 10 cent ongeveer 1 miljard euro zou kosten.
Juist dat budgettaire argument weegt zwaar. DNB benadrukt dat eventuele compensatie binnen de begroting gedekt moet worden en dus ten koste gaat van andere prioriteiten als zorg, defensie of investeringen. Daarbij past de waarschuwing van de centrale bank in een bredere discussie over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Het CPB rekende eerder al voor dat het overheidssaldo in 2025 weliswaar tijdelijk uitkomt op min 1,9 procent van het bbp, maar dat het tekort richting 2033 weer oploopt naar 2,9 procent van het bbp. Tegen die achtergrond vindt DNB een nieuwe brede steunoperatie moeilijk te verdedigen.
De schok is serieus, maar volgens DNB nog kleiner dan in 2022
Opvallend in de DNB-berekeningen is dat de centrale bank de huidige schok wel degelijk serieus neemt, maar tegelijk benadrukt dat deze in de doorgerekende scenario’s nog onder de energiecrisis van 2022 blijft. In de geactualiseerde najaarsraming, die uitgaat van een relatief snelle de-escalatie, pieken olie en gas rond 90 dollar per vat en 50 euro per megawattuur. In een ongunstiger scenario lopen die prijzen op naar 120 dollar en 90 euro. In het zware scenario stijgen ze zelfs naar 145 dollar en 105 euro en blijven ze langdurig hoog.
De economische gevolgen verschillen per scenario, maar de richting is telkens hetzelfde: hogere inflatie en lagere groei. Volgens DNB stijgt de inflatie in de actualisatie van de najaarsraming in 2026 en 2027 met ruim een half procentpunt. In het ongunstige scenario is dat ongeveer 1 procentpunt. In het zware scenario loopt de inflatie in 2026 met 1,6 procentpunt op en in 2027 met 2,8 procentpunt, terwijl de groei bijna 1 procentpunt lager uitvalt. Daarmee onderstreept DNB dat een aanhoudende energieschok de economie wel degelijk kan raken, ook als het startpunt anders is dan vier jaar geleden.
Toch verwacht DNB niet dat huishoudens gemiddeld meteen even hard worden geraakt als in 2022. In de actualisatie van de najaarsraming is het negatieve effect op het besteedbaar inkomen van een gemiddeld huishouden ongeveer 1 procent. In het zware scenario loopt dat op tot 6 procent, maar zelfs dan blijft de uitkomst volgens DNB nog onder het niveau van de energiecrisis van 2022. Dat komt vooral doordat die prijsschok destijds groter was en veel directer doorwerkte.
Waarom brede steun volgens DNB economisch riskant is
De kern van de DNB-redenering is dat de huidige situatie een klassieke aanbodschok is. Energie wordt duurder, waardoor prijzen in de economie oplopen terwijl de groei juist onder druk komt te staan. Dat maakt beleidskeuzes lastig. Een overheid kan koopkrachtverlies deels verzachten, maar loopt tegelijk het risico de inflatie aan te jagen als zij met brede, kostbare steunpakketten ingrijpt. DNB waarschuwt daarom niet alleen voor de directe kosten, maar ook voor het risico dat hogere energieprijzen zich via andere producten, diensten en loononderhandelingen verder in de economie vastzetten.
Die lijn sluit aan bij het recente oordeel van de Europese Centrale Bank. De ECB liet op 19 maart 2026 weten dat de oorlog in het Midden-Oosten de vooruitzichten aanzienlijk onzekerder maakt, met opwaartse risico’s voor inflatie en neerwaartse risico’s voor groei. In de basisraming voor het eurogebied wordt voor 2026 nu uitgegaan van 2,6 procent inflatie, juist omdat energieprijzen hoger liggen door de oorlog. De ECB waarschuwt bovendien expliciet dat langdurig hogere energieprijzen via indirecte en zogenoemde tweederonde-effecten kunnen doorwerken in de bredere inflatie.
Dat is precies waarom DNB zo voorzichtig is met generieke compensatie. Brede steun kan op korte termijn politiek aantrekkelijk zijn, maar maakt de onderliggende schok niet ongedaan. Sterker nog, wanneer de overheid grootschalig koopkracht ondersteunt zonder duidelijke afbakening, blijft de vraag in de economie hoger terwijl het aanbod juist onder druk staat. Dan wordt het voor centrale banken moeilijker om inflatie terug te brengen, en komt er uiteindelijk mogelijk alsnog een rekening via rente, begroting of belastingen.
Niet ieder huishouden voelt de stijging meteen even hard
Een belangrijk verschil met 2022 is bovendien dat prijsstijgingen nu minder direct bij alle huishoudens terechtkomen. DNB wijst erop dat veel huishoudens een vast of variabel contract hebben, waardoor hogere marktprijzen vertraagd of slechts gedeeltelijk doorwerken op de energierekening. Uit cijfers van de ACM blijkt dat begin maart 2026 54 procent van de huishoudens een vast contract had, 39 procent een variabel contract en 7 procent een dynamisch contract. Vooral voor die laatste groep worden prijsschokken sneller zichtbaar.
Daar komt bij dat de gemiddelde energierekening aan het begin van dit jaar nog juist iets lager lag dan een jaar eerder. CBS berekende eind februari dat een gemiddeld huishouden in 2026 op jaarbasis uitkomt op 1.993 euro, 52 euro minder dan in januari 2025. Die daling kwam vooral door iets lagere variabele tarieven en een lager verwacht verbruik. Dat beeld laat zien dat de huidige geopolitieke schok bovenop een relatief rustiger uitgangspositie komt dan tijdens de piek van de vorige energiecrisis. Tegelijk betekent het ook dat gemiddelden weinig zeggen over huishoudens met hoge vaste lasten, een slecht geïsoleerde woning of beperkte financiële buffers.
Gerichte steun past beter bij deze fase
Daarmee komt de discussie uit bij de vraag welke steun wél logisch is. DNB sluit hulp niet uit, maar stuurt duidelijk aan op gerichte en tijdelijke ondersteuning voor mensen die echt in de knel komen. Dat kan bijvoorbeeld via een energienoodfonds of via gemeentelijke regelingen. Die benadering sluit aan bij de manier waarop het Rijk eerder al steun organiseerde. De Rijksoverheid wijst erop dat het Noodfonds Energie in 2025 bedoeld was voor huishoudens met een inkomen tot 200 procent van het sociaal minimum en een energierekening die meer dan 8 tot 10 procent van het bruto-inkomen opslokte. Dat loket is inmiddels gesloten, maar de overheid meldt tegelijk dat gemeenten extra geld krijgen om mensen met een hoge energierekening in 2026 te helpen.
Juist daarin zit het verschil met generieke maatregelen. Gerichte steun probeert de scherpste pijn weg te nemen waar dat nodig is, zonder iedereen tegelijk te compenseren en zonder de begroting onnodig zwaar te belasten. Voor politici is dat vaak een minder eenvoudig verhaal dan een accijnsverlaging of een brede korting aan de pomp, maar economisch is het wel beter te verdedigen. Het voorkomt dat publiek geld weglekt naar huishoudens die de klap zelf kunnen opvangen, terwijl kwetsbare groepen alsnog geholpen worden.
Donkeroranje is vooral een waarschuwing tegen snelle reflexen
De boodschap van DNB is daarmee minder hard dan ze op het eerste gezicht klinkt. De centrale bank zegt niet dat de overheid stil moet blijven zitten. Ze zegt vooral dat de aard van deze schok om precisie vraagt. Eerst goed kijken hoe sterk energieprijzen echt doorwerken, daarna pas ingrijpen, en dan liefst tijdelijk en gericht. Dat past ook bij de conclusie van DNB dat de huidige schok, hoe serieus ook, in de doorgerekende scenario’s nog onder die van 2022 blijft.
Voor het kabinet betekent dat een lastige balans. De politieke druk om snel iets te doen is begrijpelijk, zeker als pompprijzen en energiekosten zichtbaar oplopen. Maar juist in zo’n fase waarschuwt DNB voor maatregelen die op korte termijn rust kopen, maar op langere termijn duurder blijken uit te pakken. De echte boodschap achter donkeroranje is daarom niet alleen dat de risico’s toenemen, maar ook dat slecht gerichte steun de situatie economisch juist ingewikkelder kan maken.
Bronnen: NOS, DNB, ECB, CBS, ACM en Rijksoverheid.