De wereldeconomie was nog niet hersteld van eerdere schokken of er diende zich alweer een nieuwe aan. Volgens het Internationaal Monetair Fonds dreigt de oorlog in het Midden-Oosten de mondiale groei stevig af te remmen als het conflict langer aanhoudt. Waar het IMF eerder nog rekende op een iets gunstiger groeipad, is dat beeld in korte tijd omgeslagen. Vooral de verstoring van energieaanvoer en de onzekerheid rond de Straat van Hormuz drukken zwaar op de vooruitzichten. De gevolgen blijven daarbij niet beperkt tot olieproducerende landen of directe buurlanden van het conflict. Ook elders in de wereld groeit de vrees voor tragere groei, hogere inflatie en nieuwe economische onrust.
Dat de waarschuwing nu zo scherp klinkt, heeft veel te maken met het belang van de Straat van Hormuz. Die zeestraat is een cruciale route voor de wereldwijde doorvoer van olie en gas. Zodra daar langdurige verstoringen ontstaan, werkt dat vrijwel direct door in energieprijzen, transportkosten en uiteindelijk ook in de prijzen van alledaagse goederen en diensten. Het IMF noemt juist die combinatie gevaarlijk: hogere energiekosten drukken de koopkracht, jagen de inflatie op en zetten tegelijk de economische groei onder druk. Daarmee ontstaat een klassieke aanbodschok, eentje die moeilijker te bestrijden is dan een gewone terugval in de vraag.
IMF schetst drie scenario’s voor de wereldeconomie
Normaal gesproken presenteert het IMF één centrale groeiverwachting, maar deze keer doet het fonds dat anders. Omdat de duur en intensiteit van het conflict nog alle kanten op kunnen, werkt het met drie scenario’s. In het referentiescenario, waarin het conflict relatief kort blijft en de schade enigszins beperkt blijft, komt de wereldwijde economische groei dit jaar uit op 3,1 procent. Dat is al 0,2 procentpunt lager dan het IMF in januari nog verwachtte. Tegelijk zou de wereldwijde inflatie stijgen van 4,1 procent in 2025 naar 4,4 procent in 2026.
Maar daarmee is het somberste deel van de analyse nog niet verteld. In een ongunstiger scenario, waarin de verstoringen rond energie en transport langer aanhouden, daalt de wereldgroei volgens het IMF naar 2,5 procent en loopt de inflatie op naar 5,4 procent. In het zwaarste scenario, waarin de ontregeling van de energiemarkt ook volgend jaar doorwerkt en inflatieverwachtingen losraken, zakt de groei naar ongeveer 2 procent in zowel dit als volgend jaar. Dan komt de wereldeconomie dicht in de buurt van een recessie, terwijl de inflatie oploopt tot rond de 6 procent. Juist dat scenario maakt duidelijk waarom het IMF de risico’s nu als uitzonderlijk groot beschouwt.
Energie blijft de gevoeligste schakel
De kern van het probleem zit in de energiemarkt. Olie, gas en ook kunstmest zijn sterk verweven met internationale handelsroutes en productieprocessen. Zodra daar verstoringen ontstaan, blijft dat niet hangen bij tankstations of energierekeningen alleen. Het werkt ook door in voedselprijzen, logistiek, chemie, industrie en verwarming. Het IMF wijst er bovendien op dat het risico groter wordt als bedrijven en werknemers hogere kosten proberen terug te verdienen via hogere prijzen en lonen. Dan kan een tijdelijke energieschok uitgroeien tot een bredere inflatiegolf.
Daarmee komt de huidige situatie in de buurt van de energiecrisis na de Russische inval in Oekraïne, al zijn er ook verschillen. Volgens het IMF zijn arbeidsmarkten nu minder oververhit dan destijds en is de onderliggende inflatiedruk op sommige plekken wat rustiger. Tegelijk zijn huishoudens en bedrijven nog altijd gevoelig voor nieuwe prijsstijgingen, juist omdat de vorige inflatieschok nog vers in het geheugen ligt. Dat maakt economieën kwetsbaar. Zelfs als de oorlog niet uitmondt in het zwartste scenario, kan een langere periode van dure energie en logistieke verstoring al genoeg zijn om het herstel te verzwakken.
Ontwikkelingslanden en energie-importeurs lopen het meeste risico
De economische klap zal bovendien niet overal even hard aankomen. Volgens het IMF worden vooral energie-importerende landen en lage-inkomenslanden zwaar geraakt. Zij hebben minder financiële buffers, zijn vaak afhankelijker van ingevoerde brandstoffen en kunnen prijsstijgingen lastiger opvangen. Tegelijk wijst het IMF erop dat ook sommige olie- en gasproducerende landen in het Midden-Oosten schade oplopen, bijvoorbeeld door uitgevallen productie, beschadigde infrastructuur, minder export en teruglopende toeristische en zakelijke activiteit. Het beeld is dus minder simpel dan alleen: hogere olieprijs is goed voor producenten en slecht voor afnemers. De werkelijkheid is grilliger.
Juist die scheve verdeling van de schade maakt het conflict economisch zo ontwrichtend. Waar rijkere landen soms nog tijdelijke steunmaatregelen of alternatieve energiebronnen kunnen inzetten, hebben kwetsbaardere economieën die ruimte vaak niet. Daar kan een stijging van brandstof- en voedselprijzen sneller leiden tot koopkrachtverlies, banenverlies en oplopende schulden. Ook dat is een van de redenen waarom internationale organisaties het conflict niet alleen als een regionaal veiligheidsprobleem zien, maar ook als een mondiale economische dreiging.
Ook Nederland voelt de schok, al minder direct
Voor Nederland lijkt de directe klap kleiner dan voor landen die sterker afhankelijk zijn van olie en gas uit het Midden-Oosten. In het NOS-artikel wijst Marnix van Rij, vertegenwoordiger van Nederland bij het IMF, erop dat Europese landen de afgelopen jaren meer hebben ingezet op vergroening, waardoor de energievoorziening minder eenzijdig op fossiele import rust. Toch betekent dat niet dat Nederland buiten schot blijft. De Nederlandse economie leunt sterk op handel, export en internationale logistiek. Als er wereldwijd verstoringen optreden, werkt dat dus ook hier door in groei, bedrijvigheid en prijsniveau.
Dat maakt de Nederlandse positie dubbel. Enerzijds is de afhankelijkheid van olie en gas relatief minder groot geworden. Anderzijds zorgt de open economie ervoor dat internationale onrust juist snel doorlekt naar bedrijven en consumenten. Hogere transportkosten, duurdere grondstoffen en zwakkere vraag op buitenlandse markten kunnen hier alsnog flink voelbaar worden. Voor een handelsland als Nederland is economische schade elders zelden een ver weg probleem. Vaak duurt het niet lang voordat die terug te zien is in orders, investeringen en prijzen.
IMF pleit voor kalm beleid en meer samenwerking
Opvallend is dat het IMF niet alleen waarschuwt, maar ook nadrukkelijk richting geeft aan overheden en centrale banken. Volgens het fonds moeten centrale banken alert blijven op inflatie, maar niet meteen elk energie-effect met hardere renteverhogingen proberen weg te drukken zolang inflatieverwachtingen voldoende verankerd blijven. Voor overheden geldt juist dat brede subsidies of prijsmaatregelen riskant kunnen zijn. Het IMF pleit eerder voor gerichte en tijdelijke steun, zodat de pijn wordt verzacht zonder de marktprikkel volledig weg te nemen.
Daarnaast hamert het fonds op internationale samenwerking. Niet alleen om economische schade op te vangen, maar ook om handelsroutes, energievoorziening en financiële stabiliteit beter te beschermen. In een gezamenlijke verklaring van het IMF, de Wereldbank en het Internationaal Energieagentschap wordt benadrukt dat de impact van de oorlog mondiaal en zeer ongelijk verdeeld is, terwijl de scheepvaart door de Straat van Hormuz nog altijd niet volledig genormaliseerd is. Daarmee blijft de onzekerheid groot, zelfs als er tijdelijk minder acute gevechten zijn.
Economische rust is voorlopig niet terug
Onder de streep is de boodschap van het IMF helder: de wereldeconomie was kwetsbaar, maar nog onderweg op een redelijk stabiel spoor. De oorlog in het Midden-Oosten heeft dat evenwicht abrupt verstoord. Hoe groot de uiteindelijke schade wordt, hangt sterk af van de duur van het conflict en van de vraag hoe snel energieproductie en scheepvaart zich kunnen herstellen. Maar zelfs in het meest gunstige scenario is de uitkomst al slechter dan eerder gedacht. En als de oorlog langer doorwerkt, dreigt een mix van tragere groei en hogere inflatie die veel landen opnieuw in de problemen kan brengen.
Bronnen: NOS, IMF, gezamenlijke verklaring van IMF, Wereldbank en IEA.