woensdag, april 15, 2026
8.7 C
Groningen

Hoge huizenprijzen drukken geboortecijfer in Nederland verder omlaag

De daling van het geboortecijfer in Nederland wordt al langer in verband gebracht met veranderende opvattingen over ouderschap, later samenwonen en economische onzekerheid. Toch wijst nieuw onderzoek steeds nadrukkelijker ook naar de woningmarkt. Waar een geschikte woning vroeger vaak een logische volgende stap was vóór gezinsuitbreiding, is die stap voor veel jonge volwassenen steeds moeilijker geworden. Juist daar lijkt een deel van de verklaring te liggen voor het feit dat Nederlanders later aan kinderen beginnen en uiteindelijk gemiddeld minder kinderen krijgen.

De aanleiding is een recent NOS-artikel over onderzoek van demograaf Daniël van Wijk, waarin wordt gewezen op de samenhang tussen de fors gestegen huizenprijzen en het dalende kindertal in Nederland. Die ontwikkeling valt op als je naar de langere lijn kijkt. In 2010 lag het gemiddeld kindertal nog op 1,80 per vrouw. In 2024 was dat gedaald naar 1,43. In dezelfde periode is de druk op de woningmarkt sterk toegenomen, vooral vanaf het midden van het vorige decennium.

De woningmarkt raakt niet alleen de portemonnee, maar ook het gezinsleven

De relatie tussen wonen en gezinsvorming is minder abstract dan ze soms lijkt. Voor veel stellen en alleenstaanden is de beslissing om een kind te krijgen nauw verbonden met woonzekerheid: is er genoeg ruimte, is het huis stabiel, is er perspectief om te blijven wonen waar je zit? Juist op dat punt is de Nederlandse woningmarkt voor veel jonge huishoudens steeds moeilijker geworden. Het CBS en het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut laten zien dat hogere regionale woningprijzen samenhangen met een lagere kans op geboorte van een kind. Een stijging van de regionale woningprijzen met 100 duizend euro hangt volgens dat onderzoek samen met een daling van 3,1 procent in de kans op een kind.

Dat is niet alleen een kwestie van gevoel, maar ook van concrete verschillen tussen regio’s en woonvormen. In gebieden waar woningen gemiddeld rond 450 duizend euro kosten, kregen vrouwen tussen 2013 en 2023 10,4 procent minder vaak een kind dan in regio’s waar woningen gemiddeld 200 duizend euro kostten. Vooral huurders worden geraakt. In dure regio’s krijgen vrouwen die huren 8,4 procent minder vaak een kind dan huurders in goedkopere regio’s. Bij vrouwen met een koopwoning is juist het omgekeerde zichtbaar: daar ligt de kans op een kind in dure regio’s 5,1 procent hoger.

Die uitkomst maakt duidelijk dat hoge huizenprijzen niet iedereen op dezelfde manier raken. Wie al een koopwoning heeft, profiteert soms juist van waardestijging en van een stabielere woonsituatie. Maar wie nog probeert die woningmarkt op te komen, loopt tegen hogere prijzen, strengere financieringseisen en schaarste aan. Daardoor wordt een geschikte woning voor een groeiend deel van de jonge generatie niet langer het vertrekpunt voor gezinsvorming, maar juist een blokkade ervoor.

Vooral huurders betalen de prijs van de woningcrisis

Dat juist huurders in dure regio’s minder vaak kinderen krijgen, is een van de meest opvallende conclusies uit het onderzoek. Volgens het CBS komt dat deels doordat jonge volwassenen in duurdere regio’s minder vaak eigenaar zijn van een woning, terwijl woningbezit samenhangt met een hogere kans op geboorte. Daarnaast is de kans op een kind onder huurders in die dure regio’s op zichzelf ook kleiner. Met andere woorden: niet alleen het ontbreken van een koopwoning speelt mee, maar ook de bredere onzekerheid die bij huren in een gespannen markt hoort.

Dat past in een breder patroon waarin “settelen” minder vanzelfsprekend is geworden. Een ander CBS-onderzoek liet eerder zien dat dertigjarigen in 2021 minder vaak een koopwoning hadden dan tien jaar eerder. Ook samenwonen en het hebben van een kind kwamen op die leeftijd minder vaak voor. Bij dertigjarigen met een vast contract had in 2021 nog 63 procent een koopwoning, tegenover 72 procent in 2011. Onder mensen met een flexibel contract daalde dat aandeel van 55,7 naar 43,4 procent. Bij dertigjarigen zonder werk of in onderwijs ging het zelfs van 30,5 naar 19,9 procent.

Die cijfers zijn belangrijk, omdat ze laten zien dat de woningmarkt niet losstaat van andere vormen van onzekerheid. Wie later een stabiele baan heeft, langer studeert of vaker in flexwerk terechtkomt, zet ook later andere levensstappen. Het CBS wees daar eerder al op in onderzoek naar de afname van geboorten onder jongere vrouwen, waarbij langer studeren en meer flexwerk een deel van de daling hielpen verklaren. NIDI-onderzoek laat daarnaast zien dat slechtere economische omstandigheden ertoe kunnen leiden dat jongvolwassenen het krijgen van een eerste kind uitstellen.

Het geboortecijfer daalt al langer, maar de woningcrisis geeft extra druk

De daling van het kindertal in Nederland begon niet gisteren en kent ook niet één oorzaak. Het CBS wijst erop dat het aantal levend geboren kinderen daalde van 184 duizend in 2010 naar 166 duizend in 2024. Tegelijk steeg de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen naar 30,4 jaar in 2024. Dat betekent niet alleen dat ouderschap later plaatsvindt, maar ook dat de periode waarin mensen eventueel nog een tweede of derde kind krijgen korter wordt. Uitstel werkt daardoor vaak ook door in het totale aantal kinderen dat uiteindelijk wordt geboren.

De woningmarkt lijkt die trend sinds ongeveer 2013 of 2014 verder te hebben versterkt. In de periode daarna liepen huizenprijzen snel op, terwijl ook de vrije huursector duurder werd. Volgens de onderzoekslijn van Daniël van Wijk is vanaf dat moment een duidelijke gedragsverandering zichtbaar. Dat wil niet zeggen dat dure huizen de enige verklaring zijn voor minder geboorten, maar wel dat de woningcrisis een steeds zwaardere factor is geworden in de beslissing om wel of niet aan kinderen te beginnen.

Juist daarom is deze ontwikkeling ook maatschappelijk relevant. Een laag geboortecijfer is niet alleen een privékwestie van stellen en gezinnen, maar raakt op termijn ook de bevolkingsopbouw. CBS-cijfers laten inmiddels zien dat de Nederlandse bevolking de afgelopen jaren alleen nog groeide door migratie. In 2025 kwamen er per saldo 87 duizend inwoners bij, terwijl die groei net als in de jaren ervoor volledig uit migratie voortkwam. Daarnaast verwacht het CBS dat er tot en met 2029 jaarlijks meer mensen overlijden dan er kinderen worden geboren.

De discussie gaat dus niet alleen over wonen, maar ook over demografie

Dat maakt de koppeling tussen woningmarkt en geboortecijfer zwaarder dan een los economisch effect. Als jonge volwassenen structureel later of minder vaak kinderen krijgen omdat zij geen passende woning kunnen vinden, schuift een woningmarktprobleem door naar de demografie van het land. De druk op starters, de krapte in betaalbare koop en huur en het ontbreken van geschikte gezinswoningen raken dan niet alleen de huidige woonkansen, maar ook de toekomstige bevolkingsontwikkeling.

Daarbij speelt ook mee dat de wooncrisis ongelijkheid vergroot. Het onderzoek van CBS en NIDI laat zien dat de gevolgen van hoge huizenprijzen heel anders uitpakken voor huurders dan voor huiseigenaren. Wie al binnen is op de koopmarkt, heeft meer zekerheid en vaker een uitgangspositie waarin gezinsvorming haalbaar lijkt. Wie aangewezen is op huren in een dure regio, moet vaker wachten, aanpassen of uitstellen. Daarmee werkt de woningmarkt niet alleen remmend op het totale geboortecijfer, maar ook selectief: de verschillen tussen groepen nemen toe.

Woningbouw alleen lost dit niet vanzelf op

De conclusie ligt voor de hand, maar is niet eenvoudig. Meer woningen bouwen blijft belangrijk, maar niet elke woning helpt evenveel bij deze ontwikkeling. Voor gezinsvorming draait het niet alleen om aantallen, maar ook om betaalbaarheid, woonzekerheid en doorstroming. Zolang jonge volwassenen moeilijk toegang hebben tot een stabiele en passende woning, blijft de stap naar ouderschap voor velen lastig. Het debat over geboortecijfers gaat daarmee niet meer alleen over cultuur of individuele keuzes, maar steeds nadrukkelijker ook over de vraag of de woningmarkt nog wel ruimte laat om een gezin te beginnen.

Onder de streep laat dit soort nieuws vooral zien hoe diep de woningcrisis inmiddels ingrijpt in het dagelijks leven. Niet alleen de kansen op een huis staan onder druk, maar ook het moment waarop mensen zich “klaar” voelen voor een volgende stap. Voor een groeiende groep Nederlanders blijkt een kind krijgen niet alleen een kwestie van wens of timing, maar ook van vierkante meters, maandlasten en woonzekerheid. En juist daarin zit de bredere betekenis van deze cijfers.

Bronnen: NOS, CBS, NIDI.

Recente publicaties

Funderingsschade voor veel huiseigenaren financieel onhaalbaar

Funderingsschade is voor veel huiseigenaren al jaren een sluimerend...

Ombudsman hard over bijstandsbezuiniging: kabinet laat zwaksten vallen

Het kabinetsplan om te besparen op de bijstand zorgt...

Consumptie huishoudens krimpt in februari door lagere uitgaven aan goederen

Na een lichte krimp in januari hebben Nederlandse huishoudens...

Geste-bouw organiseert bouwcapaciteit met vakmensen en zekerheid

In de bouw draait het zelden om “even” iemand...

Prijzen koopwoningen opnieuw hoger, maar nieuwbouw blijft achter

Wie hoopte dat de woningmarkt eind 2025 wat meer...

Gerelateerde artikelen