Huishoudens merkten in januari dat de prijzen minder hard stegen dan eind vorig jaar. Volgens de eerste raming van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bedroeg de inflatie 3,3 procent. In december lag dit percentage nog op 4,1. Het gaat om voorlopige cijfers die later deze maand worden aangevuld.
Hoe de cijfers tot stand komen
Om inflatie te meten, kijkt het CBS naar de consumentenprijsindex (CPI). Die vergelijkt de kosten van een breed pakket aan goederen en diensten met dezelfde maand een jaar eerder. Denk aan boodschappen, energie, huur en reizen. Ook wordt gekeken naar de maandelijkse ontwikkeling: in januari waren prijzen gemiddeld 0,3 procent lager dan in december.
Definitieve publicatie volgt
De snelle raming geeft een eerste indruk, maar kan nog wijzigen. Op 13 februari verschijnt de volledige rapportage, met daarin ook een uitsplitsing naar productgroepen. Dan wordt zichtbaar welke sectoren – bijvoorbeeld energie of voedingsmiddelen – de daling het meest hebben beïnvloed.
Invloed van seizoenen
Niet alle prijsschommelingen zijn structureel. Tijdens vakantieperiodes lopen vliegticketprijzen vaak op, terwijl energieprijzen juist sterk afhangen van het weer. Zulke tijdelijke bewegingen zorgen voor pieken en dalen in de maandcijfers, maar zeggen minder over de langere termijntrend.
Wat dit betekent voor consumenten en bedrijven
Door de cijfers per sector uit te splitsen, ontstaat een beter beeld van waar prijsveranderingen het meest voelbaar zijn. Voor gezinnen gaat het om koopkracht en uitgavenpatroon; voor bedrijven om kostenbeheersing en prijsstrategieën. De inflatiecijfers vormen daarmee een belangrijke graadmeter voor het bredere economische klimaat.