De groei van de Nederlandse economie in 2024 was voor het overgrote deel te danken aan de overheidsconsumptie. Volgens voorlopige cijfers van het CBS bedroeg de economische groei vorig jaar 1,1 procent. Daarvan was 0,9 procentpunt toe te schrijven aan uitgaven van de overheid. De rest – een bescheiden 0,2 procentpunt – kwam voort uit huishoudelijke consumptie, export en investeringen.
Economie veert op na krimpjaar 2023
In 2023 kromp de Nederlandse economie nog met 0,6 procent, ondanks een groei in de overheidsconsumptie. Zonder die bijdrage zou de krimp aanzienlijk groter zijn geweest. De herstellende groei in 2024 onderstreept het belang van overheidsuitgaven in tijden van economische tegenwind.
Waar bestaat overheidsconsumptie uit?
Overheidsconsumptie omvat uitgaven aan goederen en diensten die ten goede komen aan de samenleving. Het gaat onder meer om kosten voor gezondheidszorg, onderwijs en openbaar bestuur, zoals gemeenten en het Rijk.
Deze uitgaven bestaan uit twee onderdelen:
- Consumptie van eigen productie, zoals salarissen van ambtenaren en overige productiekosten;
- Sociale uitkeringen in natura, waaronder zorg via de Zvw en Wlz, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag en het studentenreisproduct.
Forse groei in beide categorieën
De consumptie van eigen productie groeide in 2024 met 3,9 procent ten opzichte van een jaar eerder, gecorrigeerd voor prijsveranderingen. Deze stijging hangt samen met een toename in het aantal medewerkers bij overheidsinstellingen.
Sociale uitkeringen in natura groeiden met 3,2 procent. De stijging weerspiegelt hogere uitgaven aan zorg en ondersteuning, die grotendeels door de overheid bij marktpartijen worden ingekocht.
Aandeel in economie stijgt opnieuw
In totaal was de overheidsconsumptie in 2024 goed voor 25,8 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Daarmee heeft dit aandeel het hoogste niveau bereikt sinds 2012. Binnen Europa behoort Nederland hiermee tot de koplopers. Alleen in Zweden en Finland ligt het aandeel hoger. In landen als België en Frankrijk lag het aandeel iets lager (24 procent), terwijl Duitsland (22 procent) en het VK (21 procent) achterblijven.
Bron: CBS